Propaganda en censuur in Senegal tijdens de koloniale periode en het presidentschap van Senghor

Propaganda en censuur in Senegal tijdens de koloniale periode en het presidentschap van Senghor

15 november 2025

In De geschiedenis van propaganda en censuur in Senegal schetst Bocar Niang, over meer dan drie decennia, hoe de radio zich heeft opgewerkt tot een van de krachtigste instrumenten van politiek gezag, cultureel engineering en burgerlijke vorming. Van koloniale propaganda tot de Senghoriaanse pedagogie laat de auteur zien hoe, achter de zachtheid van de radiotal, een sterk, gecentraliseerd staatsbestel is opgebouwd, diep getekend door het stempel van een islamo-wolof-identiteit

Het eerste deel gaat terug naar de koloniale oorsprong van de radio in Dakar. Vanaf 1939 wordt het station op het Cap-Vert-schiereiland, vlak bij het paleis van de gouverneur, de eerste massale Frans-talige radiouitzending in Sub-Sahara-Afrika. Tijdens de Tweede Wereldoorlog dient het als instrument van patriottische propaganda, afwisselend wordt de stem van Vichy, Giraud of De Gaulle uitgezonden, maar met hetzelfde doel: de koloniën binnen de as van Frankrijk houden.

Hoofdstuk II laat zien hoe de Afrikanen dit medium langzaam eigen maakten, lang gebonden aan technische posten of aan folklorerubrieken. Via Radio-Saint-Louis en de eerste uitzendingen in talen « inheemse » begonnen zij de ether eigen te maken, waarmee een bescheiden dekolonisatie van de discours op gang kwam.

De tweede helft onderzoekt de wending in de jaren 1956-1960. De kaderwet-Defferre, gevolgd door het referendum van 1958, opent de weg naar een Afrikaanse politieke expressie. In hoofdstuk III toont Niang hoe de semi-autonome regeringen radio willen inzetten als instrument van politieke legitimatie. In Senegal gebruiken Mamadou Dia en Léopold Sédar Senghor Radio-Dakar als laboratorium voor een moderne staat. Maar het uiteenvallen van de Federatie Mali (hoofdstuk V) onthult pas de strategische dimensie van het medium. Een ware “oorlog der golven” houdt Modibo Keïta en Senghor in zijn greep, elk kamp tracht zijn versie van de feiten op te leggen. Het is via de radio dat Senegal zijn afscheiding in augustus 1960 proclameert.

Sindsdien wordt de radio een kwestie van soevereiniteit en een instrument van nationale macht. Hoofdstuk IV beschrijft de eerste investeringen in radiore infrastructuur, geïntegreerd in het nationale ontwikkelingsplan. Senghor, zich bewust van de verbindende rol van communicatie, maakt van de radio een « strategische staatsbron », waarbij de transistor symbool wordt van nationale integratie.

Het derde deel analyseert de interne politieke crises die de Senghoriaanse propaganda hebben gevormd. De crisis van december 1962, waarin Mamadou Dia tegenover Senghor stond, illustreert deze transformatie: de radio, heen en weer getrokken tussen twee loyaliteiten, wordt het strijdtoneel van een psychologisch gevecht. Na de val van Dia verandert Radio-Sénégal in een exclusief instrument van het presidentiële regime. De « guerre des entourages » (hoofdstuk VI) markeert de intrede in het tijdperk van de persoonlijkheidscultus: Senghor wordt niet alleen staatshoofd, maar ook vader van de natie.

Hoofdstuk VII toont de « fin du senghorisme triomphant », wanneer de radio, als rempart van het regime, zich uitgeput heeft in defensieve propaganda. In het licht van economische en sociale crises bouwt zij de figuur van de « l’ennemi intérieur », waarbij studenten, vakbondsmensen of tegenstanders als veroorzakers van wanorde worden aangewezen.

Het vierde deel van het boek, getiteld De Mythen van de oprichting van de postkoloniale staat-natie, is ongetwijfeld het meest analytische. Hoofdstuk VIII, « Propagande, contrôle et censure », beschrijft het functioneren van een informatie die nauw wordt omkaderd. Bij Radio-Sénégal bestaan geen duidelijke grenzen tussen informatie en propaganda. De redactionele stukken en columns, alomtegenwoordig, interpreteren de actualiteit volgens « l’optique du père de la nation ». Senghor wordt de « chef sans rival », en de radio een spiegel van de governance van de parti-État, de Union progressiste sénégalaise (UPS).

« Senghor au micro », onderzoekt de theatrale mise en scène van de president. Zijn wekelijkse toespraken, met een professorale toon, vormen een kunst van regeren door middel van de spreektaal. De dichter-president bedenkt zelfs de term « Médiat » om deze bemiddeling tussen macht en volk te duiden. Maar achter deze pedagogie schuilt een uitgesproken paternalisme: de radio spreekt tot het volk, nooit met hen. Het is in het vijfde deel, ongetwijfeld het meest fascinerende, dat Niang de identitaire draagwijdte van het Senghoriaanse project blootlegt.

Hoofdstuk X analyseert de plaats van de négritude en het islamo-wolof-model in de opbouw van de natiestaat. Via de radio promoot Senghor een culturele synthese tussen Afrikaanse traditie, Franse humanisme en het overwegend islamitische geloof. Het Festival mondial des arts nègres (FESMAN) van 1966 symboliseert deze ambitie: het hoogtepunt van een cultureel beleid dat universaliteit en verankering verenigt. Maar de radio, door een verhalenreeks die de wolof-koninkrijken en islamitische figuren centraal stelt, draagt bij aan de hiërarchisering van de Senegalese identiteiten. Niang onderstreept dit paradox: christelijk Serer, Senghor bouwt via de radio een islamo-wolof-natie, ten koste van culturele periferieën zoals de Casamance of de Fouta. Radio-Sénégal wordt zo het « appareil idéologique d’État » bij uitstek, dat het nationale bewustzijn vormt. Het laatste hoofdstuk (XI) onderzoekt het sociale en educatieve aspect van dit beleid. De radio beperkt zich niet tot propaganda: zij wordt een instrument voor civiele en morele educatie. Iconische programma’s zoals Keur Noflaye, Coumba ak Samba of La Radio scolaire bevorderen een « citoyenneté vertueuse ». Het radiotheater, gedragen door populaire figuren zoals Makhourédia Guèye, dient om corruptie, on civisme en maatschappelijke gebreken publiek te maken.

De rurale educatieve radio, een Senghoriaanse innovatie, moedigt boeren aan om collectief te discussiëren over de uitzendingen en hun klachten te formuleren. Niang toont evenwel aan dat deze « bevrijding van de stem » onder controle blijft: zelfs in Dissoo, een dorpsdiscussiemogelijkheid, blijft de dissidentie van de landgenoten door de Parti-État gecanaliseerd. Bij het sluiten van dit boek begrijpt de lezer dat de geschiedenis van Radio-Sénégal die van een natie is die gevormd is door de stem van één man. Van de koloniale censuur tot de Senghoriaanse propaganda heeft de radio alle regimes doorstaan en behoudt zij eenzelfde roeping: namens de macht spreken. Niang laat zien hoe, onder het glanslaagje van een poëtisch humanisme, Senghor een absolute controle uitoefende over woorden, golven en verbeeldingen. De Senghoriaanse radio was tegelijk school, kerk en rechtbank; zij onderwees deugd, verheugde cultuur en legde het zwijgen op. Via haar werd het mythe van een islamo-wolof-natie gesmeed, waarin diversiteit plaats maakte voor eenheid. Een ijzeren hand, zeker, maar verscholen in het fluwelen handschoenkleed van een vlekkeloze diction en een ideaal van beschaving.

Nadia Vermeer

Nadia Vermeer

Ik ben Nadia Vermeer, adjunct-hoofdredacteur bij AfrikaNieuws. Mijn passie voor journalistiek is ontstaan uit de drang om verhalen te vertellen die verder gaan dan cijfers en feiten, en de mensen en context achter het nieuws te laten zien. Bij AfrikaNieuws wil ik bijdragen aan een eerlijker, rijker en menselijker beeld van Afrika, in de taal van onze lezers.