Door tussenkomst van de premier heeft het Grondwettelijk Hof in zijn beslissing nr. 7/C/2026 het voorstel van wet nr. 36/26 met betrekking tot het juridische regime van de speciale kredieten niet-ontvankelijk verklaard. De Zeven Wijzen zijn van oordeel dat meerdere bepalingen onder het domein van de organieke wet of van de reglementaire bevoegdheid vallen, waardoor de regering gelijk krijgt tegenover de parlementaire meerderheid.
De neerwaartse spiraal blijft aanhouden voor de parlementaire meerderheid. Het Grondwettelijk Hof, dat op dinsdag 25 augustus uitspraak deed over het beroep dat op 18 augustus door de premier was ingediend, gericht op het “verklaren dat de bepalingen van de voorstel van wet nr. 36/26 met betrekking tot het regime van speciale kredieten een reglementair karakter hebben” en op “het niet-ontvankelijk verklaren van het voormelde voorstel van wet”, heeft uiteindelijk in het voordeel van de regering geantwoord.
In hun beslissing nr. 7/C/2026 hebben de Zeven Wijzen het voorstel van wet nr. 36/26 met betrekking tot het regime van de speciale kredieten niet-ontvankelijk verklaard, ingediend door de deputies Guy Marius Sagna, Mame Diarra Bèye en Alphonse Mané Sambou. Als middel om deze beslissing te rechtvaardigen merkt het Hof, in overweging 15, op dat de organieke wet nr. 2020-07 van 26 februari 2020, betreffende de begrotingswetten, zoals gewijzigd, de regels vastlegt met betrekking tot de aard, de presentatie, de opening, de specialisatie, de uitvoering en de controle van de begrotingskredieten.
Voortzetting van zijn redenering leert volgens overweging 16 dat, voortvloeiend uit wat hierboven is gesteld, “de gewone wetgever noch een autonome categorie van publieke kredieten kan invoeren, noch het juridische regime daarvan kan definiëren” en dat een dergelijke handeling van aard is aan de sessie van de organieke wet die betrekking heeft op de begrotingswetten. Echter, volgens overweging 17, merkt het Grondwettelijk Hof op dat de beoordeling van het voorgedragen wetsvoorstel, met inbegrip van de artikelen 2, 5, 6, 8 en 10, laat zien dat het “niet beperkt is tot het vaststellen van de specifieke uitvoeringsmodaliteiten van de speciale kredieten”, maar de notie ervan definieert, het object bepaalt en het juridische regime ervan verduidelijkt. Geconfronteerd met deze situatie stelt het Hof in overweging 18 dat “de gewone wetgever op deze wijze heeft ingegrepen in een materie die de Grondwet toevertrouwt aan de organieke wetgever” en daarom de bepalingen van artikel 67, lid 3, van de Grondwet heeft miskend. Om deze positie te staven verduidelijkt het Hof in overweging 19 dat de artikelen 3 en 4 van het voorstel van wet de specifieke regels vastleggen met betrekking tot de uitvoering van de speciale kredieten en door middel van precies opgesomde criteria de omvang van afwijkingen bepalen die mogelijk zijn op de modaliteiten van verbintenissen, liquidatie, ordonnantie, betaling, verantwoording en controle van de speciale kredieten.
Volgens de Zeven Wijzen vallen deze maatregelen, volgens artikel 118 van decreet nr. 2020-978 van 23 april 2020, onder een bevoegdheid die de organieke wetgever toewijst aan de reglementaire macht bij de uitoefening van haar constitutionele prerogatieven.
Zo verklaart het Grondwettelijk Hof in overweging 20 dat deze materies niet onder het door artikel 67 van de Grondwet voorziene wetdomein vallen, maar eerder onder het domein van de regelgeving, voortvloeiend uit de organieke wet betreffende de begrotingswetten, toegepast in overeenstemming met artikel 67, lid 3, van de Grondwet. Bijgevolg beschouwt het Hof de artikelen 3 en 4 van het voorstel van wet als niet-ontvankelijk en verklaart uiteindelijk het voorstel nr. 36/26 met betrekking tot het regime van de speciale kredieten niet-ontvankelijk.