Door hulp en afstemming door elkaar te halen, eindigen sommige ontwikkelingspartners ermee de samenwerking te veranderen in een instrument van invloed. Afrika kan zijn waardigheid niet opbouwen zolang het afhankelijk blijft van financieringen die soms bedoeld zijn om buitenlandse normen op te leggen aan zijn sociale, culturele en juridische realiteiten. Het is tijd om onze relatie met hulp te herdenken, niet uit terugtrekking, maar uit soevereiniteit.
EEN HULP DIE NOOIT VOLLEDIG NEUTRAAL IS
Afrika praat graag over ontwikkeling: infrastructuur, onderwijs, gezondheid, energie, werkgelegenheid, innovatie… Toch verbergt dit zo gezamenlijke begrip soms een hardere realiteit: afhankelijkheid die de besluitvrijheid van staten verzwakt. Want ontwikkelingshulp is niet altijd neutraal. Ze wordt soms vergezeld van expliciete of impliciete voorwaardelijkheden, van politieke druk, van ideologische normen, van geïmporteerde prioriteiten. Via de financiering proberen sommige partners de interne debatten in Afrikaanse landen te sturen, invloed uit te oefenen op hun maatschappelijke keuzes, en soms zelfs grenzen van hun soevereiniteit te testen.
DE CONDITIONALITEIT ALS HEFOOM VOOR INVLOED
Dit fenomeen is niet nieuw, integendeel. De geschiedenis van internationale betrekkingen toont aan dat geld vaak als hefboom heeft gewerkt om te verkrijgen wat de machtsverhoudingen in diplomatie niet rechtstreeks konden afdwingen. Vandaag krijgt het verschijnsel subtielere vormen: taal van rechten, bevelen tot conformiteit, dreigementen met het stopzetten van fondsen, mediadruk en diplomatieke druk. Het mechanisme is bekend. Het werkt des te beter hoe meer de begunstigde staten eraan gewend zijn dat ze zich geen nee kunnen permitteren.
SOVEREINITEIT ONDER DRUK: DE PRIJS VAN DE FINANCIERING
Onlangs, in Senegal, sprak de premier Ousmane Sonko over de mogelijkheid om financieringen met voorwaarden te weigeren die in strijd worden gezien met de maatschappelijke keuzes van het land. Deze stap, los van de nationale context, belicht een bredere realiteit: een soevereiniteit onder druk.
MAAR TEGEN WELKE PRIJS?
Wanneer een land toestaat dat zijn ruimte voor handelen afhangt van externe financiering, accepteert het ook een deel van politieke kwetsbaarheid. En geen enkel land kan zijn toekomst duurzaam opbouwen door anderen de grenzen van zijn cultuur, zijn recht of zijn collectieve moraal te laten bepalen. Ontwikkeling mag nooit een transactie zijn die een samenleving dwingt haar fundamenten te verloochenen of haar overtuigingen te verwateren.
UNIVERSALISME OF UNIFORMISERING ?
Dat betekent niet dat men de poort naar de wereld moet sluiten. Afrika heeft niets aan isolatie. Het heeft behoefte aan partnerschappen, handel, investeringen, overdracht van vaardigheden, technologieën, en win-wins uitwisselingen. Een partnerschap mag niet betekenen onderwerping, samenwerking mag niet synoniem zijn met opgeven en hulp mag in geen enkel geval onder toezicht geplaatst worden. Ook moet men de moed hebben dit duidelijk te zeggen: niet alle samenlevingen evolueren in hetzelfde tempo, noch volgens dezelfde referenties. Wat elders wordt voorgesteld als een moreel universeel draagvlak, is niet per definitie overal en altijd toepasbaar. Volkeren hebben een geschiedenis, verbeeldingswereld, sociale verhoudingen en kernwaarden. Deze te negeren in naam van een selectief universalisme is een ontkenning van de diversiteit van de wereld.
DE STILLE VAL VAN DEPENDENTIE
Daarom moet Afrika een eenvoudige vraag aan zichzelf stellen: wil het blijven de hand uitsteken tot het punt dat het zijn stem verliest? Door afhankelijk te worden, raak je kwetsbaar. En door kwetsbaar te zijn, word je gedwongen jezelf te censureren nog voordat iemand anders iets oplegt. Wordt niet vaak gezegd dat “beggars hebben geen keuze” of “beggars kunnen niet kiezen”? Deze uitdrukkingen geven een harde realiteit van asymmetrische verhoudingen weer. Maar moeten ze een onvermijdelijkheid blijven voor hele naties? Afrika betreedt een beslissend decennium waarin het moet kiezen tussen twee routes: ontwikkeling onder infuusfinanciering, waarbij elke vooruitgang gepaard gaat met onzichtbare concessies, of een geleidelijke maar krachtige en duurzame toename van eigen macht en zeggenschap.
HET MODEL HERZIEN: VAN HULP NAAR AUTONOMIE
De echte vraag gaat niet alleen over geld. Het is ook een strategisch, cultureel en politiek vraagstuk. Het gaat om het herwinnen van het vermogen om te zeggen: we willen samenwerken, maar we willen onszelf niet uitwissen, verre van. We willen vooruitgang, maar niet oplossen. We streven naar dialoog, maar zonder afstand te doen van ons recht om te kiezen. Afrika moet nu overstappen van een hulplogica naar autonomie door structureel autonomere financieringsmodellen op te bouwen. Dat vereist: een effectievere fiscaliteit, een betere benutting van natuurlijke rijkdommen, de mobilisatie van lokaal spaargeld en de diaspora, en sterkere regionale samenwerking. Het afwijzen van sommige voorwaardelijkheden vandaag betekent niet het weigeren van vooruitgang, maar het leggen van de basis voor vooruitgang die wordt gekozen, onderhandeld en aanvaard. Want de landen die ertoe doen, zijn niet degenen die het meest ontvangen, maar degenen die zelf kunnen bepalen wat ze bereid zijn te aanvaarden. Morgen zal de echte onafhankelijkheid van Afrika niet enkel gemeten worden aan economische groei, maar aan het vermogen om ja te zeggen… en vooral nee te zeggen. Het is op dit prijskaartje dat soevereiniteit werkelijk zal zijn en niet slechts uitgeroepen.