Zuid-Geoplus: VN‑balans, hervormingen en toekomst in een veranderende wereld

Zuid-Geoplus: VN‑balans, hervormingen en toekomst in een veranderende wereld

19 september 2026

De uitzending “Sud Géoplus” wijdde zijn debat aan de 81e zitting van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, gehouden in een internationaal kader dat wordt gekenmerkt door geopolitieke spanningen, wereldwijde fragmentatie en de opkomst van nieuwe machten en internationale organisaties.

Om deze vraagstukken te analyseren, ontving de uitzending Désiré Axogba, jurist en expert in ontwikkelingswerk op internationaal vlak, evenals Ibrahim, specialist in internationale betrekkingen.

De uitwisseling spitste zich toe op onder meer de rol en de grenzen van de VN, de transformatie van het wereldorder, de positie van Afrika, de Duurzame Ontwikkelingsdoelstellingen (SDG’s), de schulden, klimaatverandering, pandemieën, het recht op ontwikkeling, de strijd tegen racisme en de veiligheidscrises in Afrika.

Een VN geconfronteerd met een nieuw mondiaal bestel

Vanaf het begin van de uitzending constateren de sprekers dat de 81e zitting van de Algemene Vergadering plaatsvindt in een internationale context die wezenlijk verschilt van die ten tijde van de oprichting van de VN.

Volgens Désiré Axogba kent de wereld vandaag een groeiende fragmentatie, met de heropbouw van blokken en de opkomst van nieuwe organisaties. Hij benadrukt dat de Verenigde Naties, opgericht na de Tweede Wereldoorlog, niet genoeg zijn geëvolueerd terwijl het aantal lidstaten is gestegen van 51 in 1945 tot 193 vandaag.

De sprekers menen dan ook dat sommige grote internationale beslissingen nu buiten het VN-kader worden genomen. Zij beschouwen deze zitting als een kans om na te denken over de manier waarop multilateralisme kan worden hersteld, met respect voor het internationaal recht en voor de Handvest van de Verenigde Naties.

Ibrahim wijst op meerdere internationale crises die, volgens hem, de moeilijkheden van de VN illustreren om haar principes af te dwingen. Hij stelt dat het einde van het bipolaire tijdperk de internationale betrekkingen ingrijpend heeft hervormd en dat de opkomst van China, de BRICS en diverse Zuidelijke organisaties wijst op de opkomst van een meer multipolaire orde.

De opkomst van het globale Zuiden

Een aanzienlijk deel van het debat is gewijd aan het globale Zuiden.

De sprekers constateren dat verschillende landen en groeperingen nu eigen samenwerkingsmechanismen willen ontwikkelen. Zij halen onder meer de BRICS, de ASEAN en de Mercosur aan als voorbeelden van groepen die staten in staat stellen hun belangen collectief te verdedigen.

Voor hen kan de wereld niet langer uitsluitend volgens de regels worden georganiseerd die na de Tweede Wereldoorlog zijn vastgesteld. Nieuwe machten en landen van het Zuiden moeten zwaarder gewicht krijgen bij het vaststellen van internationale regels.

Deze evolutie is volgens de sprekers ook verbonden met de opkomst van China en de verschijning van nieuwe economische en diplomatieke verhoudingen.

Afrika beschikt over troeven maar blijft onvoldoende georganiseerd

De situatie in Afrika staat centraal in het debat.

De sprekers menen dat het continent over tal van hulpbronnen beschikt die voor de toekomst van de wereldeconomie essentieel zijn, met name op het gebied van energie, mineralen en technologieën voor de energietransitie.

Toch betreuren zij dat Afrikaanse staten nog steeds vaak afzonderlijk met grote machten en economische partners onderhandelen.

Volgens Désiré Axogba zou Afrika er belang bij hebben om zijn posities beter te coördineren om zo meer waardering te genereren voor zijn hulpbronnen en steviger te staan in internationale onderhandelingen.

Het idee van een gemeenschappelijke Afrikaanse strategie komt dan ook naar voren als een van de belangrijkste lessen uit het debat.

 De rol van de Afrikaanse Unie

De sprekers benadrukken ook de noodzaak om de Afrikaanse Unie te versterken.

Zij vinden dat een continentale organisatie die werkelijk namens alle Afrikaanse staten kan spreken, een groter gewicht zou hebben in internationale onderhandelingen.

Ook de financiering van de Afrikaanse Unie wordt genoemd. Een van de sprekers stelt dat een aanzienlijk deel van haar middelen afkomstig is uit externe financieringen, wat volgens hem de prioriteiten kan beïnvloeden.

Het debat onderstreept daarom de noodzaak voor Afrika om zijn institutionele en financiële autonomie te versterken.

 De SDG’s en de financiering van ontwikkeling

De Duurzame Ontwikkelingsdoelstellingen (DO’s) tegen 2030 nemen een prominente plek in de uitzending in.

De sprekers vragen zich af welke resultaten Afrika heeft behaald en in hoeverre de verschillende doelen haalbaar zijn.

Volgens hen ligt de moeilijkheid niet alleen in politieke wil, maar ook in de beschikbare financiële middelen.

De schuldenlast wordt expliciet besproken. De last van de schuldenaflossing beperkt volgens de sprekers de middelen die staten kunnen inzetten voor gezondheid, onderwijs, watervoorziening, sanitatie en infrastructuur.

Daarnaast wordt de kwestie van illegale kapitaalstromen die Afrika verlaten en de internationale fiscaliteit naar voren gebracht.

 Moet ontwikkeling overal op dezelfde manier worden gedefinieerd?

Het debat verschooft zich vervolgens naar een bredere reflectie over het recht op ontwikkeling.

De sprekers erkennen dat ontwikkeling een recht is, maar vragen zich af hoe dit recht concreet ingevuld moet worden en hoe het gemeten kan worden.

Ibrahim verdedigt het idee dat elke samenleving haar eigen ontwikkelingsmodel moet kunnen bepalen op basis van haar realiteiten en prioriteiten.

China wordt opnieuw genoemd als voorbeeld van een land dat een eigen traject heeft gevolgd, gebaseerd op investeringen, innovatie en creativiteit.

De sprekers concluderen dat de concepten ontwikkeling en universaliteit beter als collectieve constructies moeten worden gezien, eerder dan als modellen die aan alle samenlevingen worden opgedrongen.

L’Afrique face au changement climatique

Klimaatverandering vormt een ander belangrijk thema van het programma.

De sprekers benadrukken de bijzondere kwetsbaarheid van het Afrikaanse continent voor de gevolgen van klimaatverandering.

Sénégal wordt genoemd in het bijzonder naar aanleiding van het probleem van kusterosie. Ook Afrikaanse eilandstaten en sommige kustgebieden worden als bijzonder kwetsbaar gepresenteerd.

Verder betreuren zij het gebrek aan lokale gegevens en onderzoek naar de langetermijngevolgen van klimaatverandering.

Zij pleiten ervoor dat Afrika meer eigen wetenschappelijke capaciteiten ontwikkelt om de verschijnselen die haar raken beter te begrijpen en haar belangen in internationale onderhandelingen beter te kunnen verdedigen.

 Afrikaanse hulpbronnen en de energietransitie

Het debat over klimaat leidt de sprekers ook naar de Afrikaanse minerale hulpbronnen die nodig zijn voor de energietransitie.

Zij vinden dat Afrika niet louter leverancier van grondstoffen mag blijven.

Het voorbeeld van Simandou in Guinee wordt aangehaald om de mogelijkheid van regionale samenwerking te illustreren. De sprekers noemen het samen bundelen van vaardigheden, infrastructuur, financiering en industriële capaciteit tussen meerdere Afrikaanse landen.

Het doel is om de lokale verwerking van hulpbronnen te vergroten en Afrikaanse waardeketens te ontwikkelen.

Bandung en de samenwerking tussen landen van het Zuiden

De uitzending besteedt vervolgens aandacht aan de Bandung-conferentie, gepresenteerd als een belangrijk moment in de geschiedenis van de samenwerking tussen landen van het Zuiden.

De sprekers menen dat de geest van Bandung geactualiseerd kan worden om te beantwoorden aan de realiteiten van de eenentwintigste eeuw.

Zij onderstrepen met name het belang van gezamenlijke projecten tussen Zuiden-landen en het verminderen van afhankelijkheid van externe financiële mechanismen.

ASEAN wordt genoemd als voorbeeld van regionale samenwerking waardoor staten samen kunnen werken en hun eigen middelen kunnen mobiliseren.

De kwestie van Afrikaanse universiteiten en onderzoek

Het debat behandelt ook de rol van Afrikaanse universiteiten.

De sprekers betreuren het gebrek aan denkhuizen die zich in veel instellingen toeleggen op de grote vraagstukken van het continent.

Zij vinden dat universiteiten meer zouden moeten bijdragen aan het nadenken over strategische vraagstukken: ontwikkeling, techniek, soevereiniteit, natuurlijke hulpbronnen, klimaat, veiligheid en economische transformatie.

Ook de kwestie van het onderwijsprogramma komt aan bod; sommige sprekers vinden dat deze nog steeds sterk beïnvloed is door modellen uit de koloniale periode.

 Pandemieën: de lessen van Covid-19 en Ebola

De voorbereiding en preventie van pandemieën vormen een ander belangrijk deel van het interview.

De sprekers erkennen dat de Covid-19-crisis heeft aangetoond hoe noodzakelijk het is voor Afrikaanse landen om hun capaciteiten te versterken voor de productie van medicijnen, vaccins en medische uitrusting.

Zij benadrukken het belang van strategische voorraden, het verstevigen van het gezondheidsbudget en het ondersteunen van wetenschappelijk onderzoek.

De Covid-19-ervaring wordt ook gepresenteerd als een demonstratie van de mogelijkheid tot Afrikaanse solidariteit, met name via gezamenlijke aankopen en initiatieven voor gezondheidszorgsamenwerking.

Daarentegen wordt de Ebola-ervaring aangehaald als illustratie van aanhoudende tekortkomingen in de Afrikaanse gezondheidszorgsamenwerking.

Voor de sprekers moet Afrika dus mechanismen van samenwerking institutionaliseren om sneller te kunnen reageren op toekomstige crises in de gezondheidszorg.

Het recht op ontwikkeling

Tijdens het debat over het 40-jarig bestaan van het recht op ontwikkeling herinneren de sprekers eraan dat dit recht wordt beschouwd als een verworven recht.

Maar zij benadrukken de moeilijkheid om er een concrete inhoud aan te geven.

Een fundamentele vraag is: wie bepaalt wat ontwikkeling is en volgens welke criteria?

De sprekers verdedigen het idee dat volkeren zelf hun prioriteiten en hun ontwikkelingsmodel moeten kunnen bepalen.

Het voorbeeld van China wordt opnieuw genoemd om aan te tonen dat er verschillende ontwikkelingspaden mogelijk zijn.

Racisme, discriminatie en intolerantie

De strijd tegen racisme, raciale discriminatie, xenofobie en intolerantie maakt eveneens deel uit van de besproken onderwerpen.

De sprekers verwijzen met name naar de spanningen die waargenomen worden in Zuid-Afrika en andere Afrikaanse landen.

Zij benadrukken de verantwoordelijkheid van staten en leiders voor de preventie van taalgebruik dat verdeeldheid tussen gemeenschappen kan aanwakkeren.

Ook de rol van de maatschappelijke middenveld en van de bevolking wordt onderstreept. Het voorbeeld van Kenya wordt genoemd om te tonen hoe burgers, vooral jongeren, publiek kunnen reageren op uitspraken die als discriminerend worden gezien.

Voor de sprekers moet de strijd tegen racisme en intolerantie worden gezien als een voortdurende kwestie van sociale cohesie.

 Afrikaanse conflicten centraal in de zorgen

Het laatste deel van de uitzending is gewijd aan de veiligheidscrises in Afrika.

De sprekers betreuren dat conflicten in Soedan, de Democratische Republiek Congo en de Sahel niet voldoende centraal staan op de internationale agenda door de Afrikaanse staten zelf.

Zij vinden dat Afrika meer van haar eigen zorgpunten op zichzelf en in de internationale arena moet brengen.

De vraag naar Afrikaanse representatie in de VN-Veiligheidsraad komt eveneens aan bod.

Volgens de sprekers beschikt het continent vandaag niet over representatie die in verhouding staat tot zijn demografische en politieke gewicht.

DRC, Soedan en Sahel: noodzaak van een Afrikaanse dialoog

De discussie benadrukt met name de noodzaak om Afrikaanse crises te bespreken binnen Afrikaanse en internationale instellingen.

De DR Congo wordt genoemd vanwege haar natuurlijke hulpbronnen en de internationale ketens die daarmee samenhangen.

Soedan wordt gepresenteerd als een ernstige crisis die meer internationale aandacht vereist.

Het Sahel komt eveneens naar voren als zorggebied, vooral in het licht van de herconfiguratie van regionale organisaties en de veiligheidsaccenten.

Volgens de sprekers moeten Afrikanen de eersten zijn die deze kwesties op het internationale toneel brengen, in plaats van anderen die het beleid voor het continent bepalen.

Een verantwoordelijkheid die ook bij Afrikaanse leiders ligt

Tot slot beperken de sprekers de moeilijkheden van Afrika niet tot de zwakheden van het internationale systeem.

Zij nemen ook de capaciteit van Afrikaanse leiders op de korrel om uitspraken en internationale engagements om te zetten in daadwerkelijke beleidsmaatregelen.

Volgens hen verdedigen Afrikaanse staten buiten hun grenzen vaak principes als rechtvaardigheid, gelijkheid en respect voor internationaal recht, maar moeten zij ook zorgen voor de toepassing ervan op hun eigen grondgebied.

Het debat eindigt dan ook met een oproep tot meer coherentie, meer samenwerking, meer leiderschap en meer Afrikaanse initiatiefrechten.

Nadia Vermeer

Nadia Vermeer

Ik ben Nadia Vermeer, adjunct-hoofdredacteur bij AfrikaNieuws. Mijn passie voor journalistiek is ontstaan uit de drang om verhalen te vertellen die verder gaan dan cijfers en feiten, en de mensen en context achter het nieuws te laten zien. Bij AfrikaNieuws wil ik bijdragen aan een eerlijker, rijker en menselijker beeld van Afrika, in de taal van onze lezers.