De strijd rondom de Déclaration de politique générale (DPG) van Ahmadou Al Aminou Lô gaat verder dan een eenvoudige kwestie van het tijdschema. Tussen de aankondiging door het premierskantoor, het presidentiële decreet dat de Nationale Vergadering oproept voor een buitengewone zitting en de verduidelijkingen van het Bureau van het Hémicycle, hebben verschillende interpretaties van de procedure de ronde gedaan, die vooral de spanningen blootleggen over de verdeling van prerogatieven tussen de uitvoerende macht en het Parlement.
In zijn analyse gaat EnQuête+ terug op deze institutionele sequentie. Op 26 augustus had het premierskantoor de DPG van de premier aangekondigd voor 1 september om 9.00 uur. Maar twee dagen eerder werd er een presidentieel decreet uitgevaardigd dat de Nationale Vergadering oproept voor een buitengewone zitting vanaf 10.00 uur, met de DPG op de agenda.
Het Bureau van de Nationale Vergadering bracht vervolgens een belangrijke precisering: de opening van de zitting, gepland om 10.00 uur, moet onder meer mogelijk maken dat het quorum wordt vastgesteld voordat de zitting wordt beëindigd. De datum en de modaliteiten van de plenaire zitting die aan de DPG is gewijd, moeten daarna worden vastgesteld conform de parlementaire procedure.
Volgens Khaly Sarr gaat deze divergente dus niet om een louter tijdsprobleem. Ze roept de vraag op naar de verdeling van bevoegdheden: als de president de Republiek de Nationale Vergadering oproept voor een buitengewone zitting, is de concrete organisatie van de werkzaamheden daarna afhankelijk van de mechanismen die eigen zijn aan het parlement.
Deze episode belicht ook een slecht gesynchroniseerde institutionele communicatie. Voor de burgers maken de verschillende aankondigingen het moeilijk om de uiteindelijke planning van de DPG te identificeren. Deze procedurele verwarring kan, volgens de auteur, een politieke dimensie aannemen in een context waarin de relaties tussen de twee instellingen diepgaand zijn veranderd.
Senegal bevindt zich immers in een nieuwe machtsverdeling. Bassirou Diomaye Faye leidt de uitvoerende macht, terwijl PASTEF een meerderheid van 130 volksvertegenwoordigers in de Nationale Vergadering heeft. Aangezien de parlementaire meerderheid niet langer automatisch aan de uitvoerende macht is verbonden, worden procedures een potentieel terrein waarop beide machten hun prerogatieven kunnen laten gelden.
In dit kader lijkt de DPG van Ahmadou Al Aminou Lô een eerste belangrijke politieke test. De premier zal zijn programma moeten verdedigen voor een parlement dat wordt gedomineerd door een politieke kracht die niet langer deel uitmaakt van de regering. Zijn beleid, cijfers en keuzes zullen dan onder een bijzonder streng toezicht komen te staan.
De auteur beschouwt deze situatie echter niet als een al gevestigde institutionele crisis. Het bevestigen van de bevoegdheden van het Parlement kan ook worden gezien als een normale verschijningsvorm van de scheiding der machten. Het echte gevaar zou ontstaan als procedurele meningsverschillen langdurig veranderen in een blokkeringstrategie.
Achter de controverse over de tijdstippen schuilt dus een meer fundamentele vraag: zullen de Uitvoerende Macht en de Nationale Vergadering in staat zijn om hun respectieve prerogatieven uit te oefenen zonder elk meningsverschil om te zetten in een politieke confrontatie? De DPG zou het eerste echte indicator kunnen vormen van deze nieuwe machtsarchitectuur in Senegal.