In een opiniestuk gepubliceerd op 13 september 2025 op RFI schetst een alarmerend beeld van de perssituatie in Senegal, waar de media sinds de machtsovername door de Pastef-partij, geleid door het duo Bassirou Diomaye Faye en Ousmane Sonko, in een existentiële crisis verkeren.
De stopzetting van de overheidsadvertentiebudgetten bedreigt rechtstreeks het voortbestaan van talloze Senegalese media. Volgens de auteur vertegenwoordigden deze contracten tot 70% van de inkomsten van sommige media. Deze buitensporige afhankelijkheid van publieke financiering plaatst de media nu in een uiterst kwetsbare positie ten opzichte van de beslissingen van het nieuwe bewind.
De columnist herinnert eraan dat ‘ze al maandenlang tegenmaatregelen aan de kaak stelden’. De spanning bereikte haar hoogtepunt tijdens een bijeenkomst in juli, waar ‘de premier Ousmane Sonko zich, expliciet, richtte tegen Groupe Futurs Médias van Youssou N’Dour en beloofde het tot het uiterste te bestrijden’.
De columnist erkent dat ‘onder Macky Sall het Pastef te maken kreeg met pesterijen en vervolging, en sommige media zich aan het bewind hebben kunnen scharen om hen te schofferen’. Maar hij betreurt de wraakachtige houding van de nieuwkomers, en meent dat zij ‘in de overwinning grootsmoedig hadden kunnen zijn door te vergeven of, althans, te doen alsof er niets aan de hand was’.
De columnist vraagt zich af wat de coherentie van het nieuwe bewind is: ‘Is het de pers tot slaaf maken met contracten afkomstig van bedrijven die van iedereen zijn zo anders dan het partijdig misbruiken van het publieke belang waar Ousmane Sonko Macky Sall van beschuldigde?’
De cijfers die de auteur onthult zijn veelzeggend: ‘sinds hun machtsovername is de vergunning tot publicatie of uitzending van ongeveer 400 media ingetrokken, terwijl een spontane generatie van nieuwe media ontstaat die in de glorie van Pastef opereert’. Deze brutale herconfiguratie van het Senegalese medialandschap wordt onmiskenbaar bestempeld als clientelisme, een praktijk die volgens de columnist alle regimes heeft doorstaan sinds Léopold Sédar Senghor.
Om te illustreren wat de relatie tussen macht en pers zou moeten zijn, noemt de columnist generaal de Gaulle die in 1944 ‘Hubert Beuve-Méry, een capabele en geloofwaardige journalist, de taak en de middelen toevertrouwde om een groot dagblad te creëren dat de openbare orde en het welzijn van het land dient’. Ondanks de aanhoudende kritiek van Le Monde op hem, ‘ergerde de Gaulle zich, maar verdroeg het omdat hij dit dagblad voor het welzijn van het land wilde en niet voor zichzelf’.
De columnist onderstreept krachtig dat ‘de roeping van een geloofwaardige pers niet is om voorbijgaande regimes te dienen, maar om het algemeen belang, de natie, te dienen’.
Hoewel hij de machtpraktijken veroordeelt, spaart hij de journalistieke professie zelf niet. Hij richt zich tot zijn collega’s: ‘Zij moeten zich wapenen tegen politici die kritiek afwijzen, door orde op te ruimen in hun gelederen’. Hij vraagt vooral aandacht voor de proliferatie van communautaire media: ‘Moet elke moskee een eigen krant hebben, elke minaret zijn radio en televisie?’
Het opiniestuk eindigt op een historisch evocerende noot. Door te verwijzen naar de Franse theoloog Lamennais die in 1848 de gedenkwaardige kreet uitsprak: ‘Er is goud nodig, heel veel goud om het recht te hebben om te spreken. Wij zijn niet rijk. Stilte voor de armen!’, wijst de auteur erop dat het gebruik van financiële macht om de pers te muzzelen een oude en universele praktijk is.
Geconfronteerd met deze kritiek, waarschuwt de columnist: ‘als het duo Faye-Sonko dit voortzet, zal de Senegalese democratie slechts kunnen overtuigen tijdens wisselingen van macht’, waarmee hij de risico’s van dit beleid voor de democratische toekomst van het land onderstreept.