Op 30 juni 1960, de dag van de proclamatie van Congo’s onafhankelijkheid, volgen twee diametraal tegengestelde toespraken elkaar op in het Paleis der Natie in Leopoldstad, zoals blijkt uit een onderzoek van Fanny Pigeaud dat op zaterdag 1 augustus in Mediapart werd gepubliceerd. De koning van België Boudewijn I prijst het koloniale werk van zijn land, terwijl de jonge Congolese premier Patrice Lumumba een onverbiddelijk aanklacht tegen die praktijk uitspreekt. Niemand kon op dat moment vermoeden dat Lumumba minder dan zeven maanden later vermoord zou worden.
Zoon van een bescheiden boer heeft Lumumba zichzelf grotendeels gevormd voordat hij in 1944 naar Stanleyville trok, op negentienjarige leeftijd. Als postambtenaar verkrijgt hij in 1954 de status van « ingeschreven », bestemd voor een kleine Congolese minderheid die door de koloniale administratie als voldoende « beschaafd » werd beschouwd. Zonder het koloniale bestel op dat moment zomaar in twijfel te trekken, eist hij bovenal gelijkheid, zo herinnert de historica Élisabeth Dikizeko aan, geciteerd door Mediapart. De politicoloog Herbert Weiss, die hem heeft gekend, herinnert zich een « charmant man » en « een grote nationalist », die zich echter niet altijd schikte aan de paternalistische codes van het koloniale systeem.
Zijn traject krijgt een beslissende wending vanaf 1957, wanneer hij zich in Léopoldstad vestigt en een van de centrale spelers wordt in de opkomende anti-koloniale beweging. In 1958 richt hij het Mouvement National Congolais op, de eerste grote partij die een onafhankelijkheid opeist gebaseerd op de eenheid van het land, voordat hij in Ghana deelneemt aan de Conférence des peuples africains, waar hij onder meer Kwame Nkrumah ontmoet. Na een eerste volksopstand die in januari 1959 bloedig wordt neergeslagen in Leopoldstad, gevolgd door een korte gevangenschap, wordt hij onder druk vrijgelaten om deel te nemen aan de Brusselse rondetafelconferentie die de onafhankelijkheidsdatum op 30 juni 1960 vastlegt.
Terwijl bij officiële plechtigheden enkel koning Boudewijn I en de jonge Congolese president Joseph Kasa-Vubu aan het woord zouden komen, krijgt Lumumba onvoorzien het woord. Hij spreekt onomwonden tegen decennialange koloniale dominantie en stelt dat het land « ironie, beledigingen, klappen » heeft gekend, en dat de onafhankelijkheid geen geschenk uit Brussel is maar het resultaat van een strijd vol « tranen, vuur en bloed ». De volgende dag noemt de correspondent van Le Monde in Leopoldstad een « discours-bombe » die de aanwezigen « verstomd » achterliet.
Volgens de socioloog Ludo De Witte, een vooraanstaand autoriteit over Lumumba’s moord en geïnterviewd door Mediapart, ligt het werkelijke breekpunt met de Belgische autoriteiten niet zozeer in het toespraak, maar in de daden die volgen: in de eerste dagen van juli probeert Lumumba de Congolese staat opnieuw onder controle te krijgen, met name door de afrikanisering van het leger af te kondigen na de muiterij van de Force Publique. België grijpt dit voorwendsel aan om 10.000 soldaten naar het land te sturen, waardoor Moïse Tshombé op 11 juli de secessie van Katanga kan uitroepen, wat feitelijk een einde maakt aan een Congo dat Lumumba had willen verenigen. De Belgische ambassadeur in Leopoldstad zou, zo stelt men op basis van De Witte’s bevindingen, « op zoek gaan naar kandidaten die Lumumba konden vervangen », waarmee een reeks gebeurtenissen werd ingezet die uiteindelijk tot zijn val zou leiden.