Een parlementslid dat tien opeenvolgende plenaire zittingen afwezig is en waarna een stemming volgt, kan voortaan niet langer automatisch zijn mandaat verliezen. In een beslissing die werd bekendgemaakt tijdens zijn zitting op 7 september 2026, oordeelde het Grondwettelijk Hof dat deze sanctionaire bepaling in strijd is met de Grondwet, terwijl de kern van de hervorming van het reglement van orde van de Nationale Vergadering, die in mei is aangenomen, wel werd gevalideerd.
Het Grondwettelijk Hof was verzocht door de president van de Republiek, bij een brief van 27 augustus 2026, om de conformiteit met de Grondwet van de organische wet te onderzoeken die artikel 118 van het reglement van de Nationale Vergadering wijzigt, en die op 8 mei 2026 was aangenomen met 127 stemmen voor, 3 tegen en 2 onthoudingen.
De voorzitter van de Nationale Vergadering had geprobeerd hiertegen te protesteren door voor de raden der rechters te betogen dat de saisine onontvankelijk was. Zijn argument: artikel 74 van de Grondwet bepaalt een termijn van zes dagen nadat de definitief aangenomen tekst is overgezonden, en die termijn, die sedert 20 mei 2026 loopt, was ten tijde van de saisine door de staatshoofd eind augustus ruimschoots verstreken.
Het Grondwettelijk Hof heeft dit argument afgewezen. Het oordeelde dat de termijnen vastgesteld in de artikelen 72 en 74 van de Grondwet, bedoeld voor procedures van gewone ongrondwettigheidsvorderingen, niet van toepassing zijn op het toetsingsproces van organische wetten — een toetsing die door de president van de Republiek te allen tijde moet worden ingezet, ongeacht de datum. De saisine werd derhalve als regular verklaard, evenals de procedure voor de vaststelling van de tekst in de Nationale Vergadering.
Wat de inhoud betreft, heeft het Hof de meest omstreden bepaling ongrondwettig verklaard: die welke voorzag in het verlies van het mandaat bij afwezigheid gedurende tien opeenvolgende plenaire zittingen die gevolgd werden door een stemming. Voor de bezwaarde rechters kan uitsluitend de Grondwet — via de artikelen 60 en 61 — bepalen wanneer een parlementslid kan worden gedecertificeerd tot ontslag, namelijk bij de uittreding uit zijn partij tijdens de huidige zittingsperiode of bij een definitieve strafrechtelijke veroordeling. Het reglement van orde, hoewel het bevoegd is ingevoerd door artikel 62 om het disciplinaire regime van parlementsleden vast te leggen, mag dus geen nieuw motief voor verlies van mandaat toevoegen. Bijgevolg werden ook de bepalingen tot “vaststelling van ontslag van eigen beweging” die uit deze bepaling voortvloeiden, ongrondwettig verklaard.
Het Hof heeft daarentegen de rest van de tekst wel goedgekeurd, onder voorbehoud van een interpretatieve bepaling. De algemene instructie die het Bureau van de Vergadering moet vaststellen voor de parlementsleden die in buitenlandse kieskringen zijn gekozen, mag uitsluitend regels bevatten die gerechtvaardigd zijn door hun specifieke situatie, in overeenstemming met het beginsel van gelijke behandeling van alle burgers voor de wet.
De beslissing werd genomen onder het voorzitterschap van Ousmane Diagne, met vice-voorzitter Aminata Ly Ndiaye en de leden Youssoupha Diaw Mbodj, Awa Dièye, Cheikh Ndiaye, Cheikh Ahmed Tidiane Coulibaly en Mouhamadou Bachirou Sèye, aldus het document. De uitspraak moet worden gepubliceerd in het Staatsblad.