Op elfjarige leeftijd heeft Tshituala nog niet de leeftijd om een geweer te dragen. Hij heeft nog altijd die drang om een jeugd na te jagen, te geloven in huis, in familie en in gewone dagen. De oorlog laat hem die tijd echter niet. In « Makila » duwt Elvis Ntambua Mampuele de lezer naar de kern van een door conflicten verscheurd Congo en maakt van het traject van een kind-soldaat een duik in de mechaniek van ontmenselijking. Tussen fictie en geschiedenis vertelt de romancier eerder oorlog als gebeurtenis dan als een machine die beulen voortbrengt uit kinderen. Gepubliceerd in 2024 bij La Croisée des Chemins, in de collectie Sembura, telt de roman 314 prachtige pagina’s.
Je moet in « Makila » stappen zoals je een kamer binnenstapt waarvan je al weet dat die niet verlicht zal zijn. Het Congo dat de lezer verwelkomt is niet het land van ansichtkaarten noch van de grote praatbarakken over de rijkdommen van zijn ondergrond. Het is een gebied, verminkt door oorlog, een rijk land wiens aarde honger en hebzucht voedt en waarvan de kinderen de prijs betalen. Vanaf de eerste bladzijdes legt Elvis Ntambua Mampuele deze tegenstelling bloot. De aarde is vruchtbaar, maar de jeugd is gestopt met groeien. De rijkdommen bestaan, maar het menselijk leven verliest waarde. Het land bezit alles, behalve vrede. De titel geeft de aard van de ramp aan. Makila, in het lingala, betekent bloed. Een bruut woord dat op zichzelf de dood, het offer en het geweld draagt waar de roman de sporen van wil bewaren.
Het bloed is een narratieve stof. Het verbindt de doden met de overlevenden, de slachtoffers met de strijders en de collectieve geschiedenis met het persoonlijke verhaal van Tshituala. En Tshituala is slechts elf jaar oud. Daar ligt de grens waaruit de roman het moeilijkst te bekijken is. De oorlog vraagt niet naar zijn leeftijd. Ze vraagt niet of hij soldaat wil zijn. Ze dringt zijn leven binnen, rukte de familierelaties los en verandert geleidelijk een kind in een instrument voor gevechten. De werving is een ontvreemding. Zijn jeugd wordt hem ontnomen voordat hij een wapen in handen krijgt. Op deze manier valt de roman een gemakkelijke illusie aan, die er eentje is die het kind-soldaat uitsluitend ziet als degene die het wapen draagt. Achter de strijder schuilt het door angst gedwongen kind, gemanipuleerd en verplaatst. Maar er is ook een andere realiteit, die nog verontrustender is. Dit kind eindigt ermee zelf deel te nemen aan het geweld.
Makila weigert deze tegenstelling te vereenvoudigen. Tshituala is een slachtoffer, maar de oorlog zoekt precies om van hem iets anders te maken dan een slachtoffer. Hier ligt de ware inzet van Mampuele’s schrijven. De barbaarlijkheid valt niet uit de lucht. Ze moet worden aangeleerd. Ze nestelt zich in lichamen, in reflexen en vooral in de blik op de dood. Het kind ontdekt een universum waarin doden doden kunnen betekenen als overleving. De oorlog wordt een omgekeerde school. Het jochie dat moest leren de wereld te lezen, leert nu de oorlog te lezen. Die omwenteling ligt in het hart van de roman. Het verklaart ook waarom de roman niet kan worden gereduceerd tot een verhaal over kind-soldaten. Het gaat over de manier waarop een gewelddadige omgeving uiteindelijk het individu vormt. De lezer ziet de schepping: een kind dat door wapens, identiteiten en conflicten wordt omgevormd tot een grens tussen degene die lijdt en degene die lijdt doet lijden. Elvis Mampuele plaatst dit individuele traject in een veel groter verhaal.
La grande histoire descend jusqu’à la chair
Zijn roman wortelt in de realiteiten van het oosten van de Democratische Republiek Congo en toont een land verstrikt in gewapende conflicten en identitaire strijd. Maar de schrijver maakt van zijn verhaal geen historische kroniek. Hij kiest fictie om een menselijke waarheid te benaderen die data, evaluaties en persberichten niet kunnen vangen. De vader van Tshituala vormt daartoe een belangrijke figuur. Ook hij leeft in een wereld die door de oorlog is getekend. Het geweld vernietigt dus niet alleen degenen die wapens dragen. Het dringt door in families, verandert de relaties tussen generaties en besmet uiteindelijk de toekomst nog voordat die zich heeft kunnen voorstellen. Wanneer Tshituala kantelt naar het universum van de strijders, betreedt hij een wereld met eigen codes, eigen machtsverhoudingen en eigen moraal. Het kind moet leren gehoorzamen. Het moet begrijpen wie bevel geeft, wie dreigt, wie doodt en wie gedood kan worden. Zijn identiteit raakt gaandeweg verzwolgen door die van de strijder.
De verandering is verschrikkelijk omdat zij ingrijpt op iets wat fundamenteel is: de naam. Dat vormt de hele logica van een kind-soldaat: een mens veranderen in een instrument. En die transformatie is des te ijzersterker omdat ze niet in één ogenblik plaatsvindt. Ze groeit. Ze nestelt zich. Ze normaliseert het onaanvaardbare. Wat had moeten leiden tot ontsteltenis, raakt uiteindelijk het gewone. De moord is in feite een instructie. Een kind dat opgroeit temidden van wapens leert de wapens te beschouwen als een deel van het landschap. Een kind dat ziet hoe mensen sterven leert de dood op een andere manier zien. Een kind dat wordt herhaaldelijk verteld dat enkel de sterksten overleven, begint deze regel als een waarheid te internaliseren.
Toch transformeert de roman zijn personage niet tot een monster zonder diepte. Juist daarin ligt zijn belang. Tshituala blijft doorkruist door tegenstrijdigheden. Zelfs midden in het geweld blijft een deel van hem de wereld op een andere manier zien. Hij kan nog steeds aangetrokken zijn door schoonheid, door liefde, door de mogelijkheid van een menselijke relatie. Die blijvende aanwezigheid van het kind onder de strijder verhindert dat het personage tot een wrede figuur wordt gereduceerd. En dat maakt de barbaarlijkheid nog onverdraaglijker, omdat er nog iets te redden valt. Het woord uit de titel keert terug met een nieuwe kracht. Makila, het bloed dat over het slagveld stroomt. Maar het is ook het bloed van een onderbroken afstamming, van verspreide families, van een generatie die is opgeofferd. Het bloed wordt de materie van een collectief geheugen. Het Congo van de auteur is een personage op zichzelf.
Een schitterend maar getekend gebied, rijk en verwoest, begeerd en ontnomen. Daar verschijnt de politieke dimensie van het verhaal. Groter dan het kind-soldaat strekt zich een heel systeem uit. Achter het geweer in de handen van een kind staan volwassenen die bevelen. Die onderscheiding is essentieel omdat ze voorkomt dat Tshituala de ultieme schuldige wordt. Het ware schandaal is precies dat een samenleving erin slaagt de omstandigheden te creëren waarin een kind uiteindelijk doodt om niet gedood te worden. Literatuur grijpt dan in op plaatsen waar politiek discours soms tekortschiet. Ze geeft een gezicht. Een leeftijd. Een stem. Het verandert de categorie ‘kind-soldaat’ in een individueel lot.
Plicht tot geweld
Deze precisie verplaatst de blik omdat ze eist te doorgronden wat het betekent om een gestolen jeugd te hebben. Op elf jaar zou men het recht moeten hebben om fouten te maken zonder te sterven. Om te rennen zonder te vluchten. Om te spelen zonder te leren richten. Om op te groeien zonder te hoeven kiezen tussen doden en gedood worden. In Makila verdwijnt al die mogelijkheid. Elvis Ntambua Mampuele kiest er zo voor om zijn lezer tegenover een vraag te plaatsen die veel verder reikt dan Congo: wat blijft er over van een kind nadat het gedwongen is te leven als een oorlogsmens? De roman laat eerder de sporen zien die dit geweld nalaat, de wonden die niet verdwijnen na het einde van de gevechten, de moeilijkheid om weer een plaats te vinden onder degenen die niet dezelfde ervaring hebben meegemaakt. Het kind-soldaat verlaat de oorlog niet noodzakelijkerwijs wanneer hij het slagveld verlaat. Hij kan het nog steeds dragen in zichzelf. Het is deze innerlijke oorlog die Makila ook zo voelbaar maakt.
Het geweld heeft een geheugen. Het overleeft de wapens, de verplaatsingen, de verschuiving van gebieden. Het zet zich vast in lichamen en in bewustzijn. Het boek vraagt de lezer te begrijpen hoe oorlog werkt of hoe zij in een jeugd doordringt. In de schaduw van deze barbarij plaatst Elvis Ntambua Mampuele een kind. Een elfjarig kind. En juist omdat hij nog een kind is, is zijn verhaal ondragelijk. Makila is het verhaal van een oorlog die de jeugd grijpt, haar vervormt en probeert haar te leren geweld lief te hebben. Het laat dan een vraag achter, zwaar als een achtergelaten wapen na de strijd: wanneer een kind door de oorlog gemakt is, wie heeft de moed om hem opnieuw vrede te leren?
Makila, in het lingala, betekent bloed. Een brutraal woord dat op zichzelf de dood, het offer en het geweld draagt waarvan de roman de sporen wil bewaren.