Inwerkingtreding op 15 september 2025 van het WTO-akkoord over visserijsubsidies opent nieuwe perspectieven voor de ambachtelijke visserij in Afrika. De actoren in de sector hopen met name de druk van industriële vloten te kunnen verminderen, terwijl zij waarschuwen voor de uitdagingen op het gebied van controle, financiering en de capaciteit van staten.
Het verdrag van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) over visserijsubsidies verwelkomt een nieuw hoofdstuk in het beheer van mariene hulpbronnen. In Afrika roept de invoering ervan zowel hoop als zorgen op, met name onder de organisaties van ambachtelijke vissers. Tijdens een onlangs gehouden webinaire in Mbour over « vraagstukken, kansen en uitdagingen » van dit verdrag benadrukten de actoren uit de sector de noodzaak om dit nieuwe instrument te laten uitgroeien tot een effectief middel ter bescherming van de vissersgemeenschappen. Inwerkingtreding op 15 september 2025 heeft het akkoord als doel onder meer subsidies te verbieden die bijdragen aan illegale, niet-gerapporteerde en niet-gereguleerde visserij (IUU-visserij), aan vissen in overexploitieve stock en aan bepaalde activiteiten in de high seas die niet gereguleerd zijn. Het voorziet bovendien in bijzondere en gedifferentieerde behandeling ten gunste van ontwikkelingslanden en de minst ontwikkelde landen.
In Afrika speelt ambachtelijke visserij een sleutelrol in de voedselzekerheid, de tewerkstelling en de inkomsten van miljoenen mensen. Ook vrouwen vormen een essentieel onderdeel van de waardeketen, met name in de verwerking en de commercialisering van visproducten. Desondanks blijft deze sector onder zware druk staan. Uit een continentale studie van de Confederation of African Artisanal Fishers Organizations (CAOPA), met steun van DNS Consulting, het Institut de recherche pour le développement (IRD) en het Duitse Federal Ministry for Economic Cooperation and Development (BMZ), komen verschillende problemen naar voren.
De ondervraagde organisaties melden vooral invasies door industriële schepen en activiteiten die gerelateerd zijn aan visserswerkzaamheden in gebieden die gereserveerd zijn voor ambachtelijke visserij. Een situatie die de druk op reeds kwetsbare hulpbronnen vergroot en de mogelijkheden voor lokale gemeenschappen beperkt. Daarnaast speelt de subsidievraag een belangrijke rol. Volgens de studie geeft circa 70 % van de ondervraagde organisaties aan dat hun leden geen brandstofsubsidies ontvangen. Tegelijkertijd worden ambachtelijke vissers geconfronteerd met de concurrentie van industriële vloten die van verschillende ondersteuningsmechanismen profiteren.
Uit de bevindingen van de studie trekt Dr. Hamady Diop de conclusie dat het WTO-akkoord een kans biedt voor de Afrikaanse ambachtelijke visserij, maar een kans die beveiligd moet worden. Volgens hem kunnen de nieuwe disciplines met name helpen om bepaalde subsidies te verminderen die de industriële visserij en de langeafstandsvisserij in Afrikaanse wateren bevoordelen. Staten hebben bovendien de ruimte om te investeren in toezicht op de visserij, maritieme veiligheid, post-harvest-infrastructuur en de bestaansmiddelen van de gemeenschappen. De uitvoering ervan hangt echter in grote mate af van de capaciteit van landen om beschikbare financieringen te mobiliseren. Dit vormt een van de belangrijkste uitdagingen die uit de studie naar voren komen. In verschillende landen blijven de capaciteiten voor visbestandsbeoordeling ontoereikend.
Het ontbreken van betrouwbare wetenschappelijke data kan de capaciteit van staten beperken om passende besluiten te nemen en ten volle te profiteren van de flexibiliteiten die het Akkoord biedt. Ook de nationale capaciteiten op het gebied van notificatie, transparantie en toezicht blijken beperkt. Daarnaast is er kritiek op de beperkte participatie van bepaalde actoren, met name van vrouwelijke verwerkers en van vissers uit de continentale wateren. De studie, waaraan 37 organisaties uit 25 Afrikaanse landen en de vijf regio’s van het continent meewerkten, onderstreept zo het belang van een betere betrokkenheid van beroepsorganisaties bij de formulering van nationale uitvoeringsbeleid.
Voor de ambachtelijke vissers is het niet voldoende dat internationale regels bestaan. Ze moeten ook effectief worden toegepast en gemeenschappen moeten toegang hebben tot financieringskanalen en begeleiding. Het akkoord kent twee dimensies. De eerste, nu van kracht, heeft betrekking op subsidies die verbonden zijn aan IUU-visserij, aan overexploited stocks en aan bepaalde ongereguleerde visserijactiviteiten op de hoge zee. Het Comité dat verantwoordelijk is voor het Akkoord is operationeel en het Fonds voor de Visserij is begonnen financieringen goed te keuren. De tweede dimensie, die vooral gaat over disciplinering met betrekking tot overcapaciteit en overvisserij, bevindt zich nog in onderhandelingen. In de komende jaren zullen hierover nieuwe besprekingen plaatsvinden.
Voor organisaties van ambachtelijke vissers blijven verschillende vragen bepalend: toegang tot de flexibiliteiten die voor ontwikkelingslanden zijn voorzien, overgangsperiodes, rekening houden met subsidies aan industriële vloten en de strijd tegen distant-water fishing. Naast de internationale onderhandelingen zal vooral de nationale uitvoering doorslaggevend zijn. Staten zullen hun controlesystemen moeten versterken, de gegevensverzameling over hulpbronnen verbeteren en de toegang tot financiering vergemakkelijken.
Het inzetstuk is ook maatschappelijk van aard. In talrijke Afrikaanse gemeenschappen is visserij niet slechts een economische activiteit; het vormt een vitale bron van voedsel, werk en inkomsten. Voor de actoren in de sector mag het WTO-akkoord dus geen extra last betekenen voor de kleine vissers. Integendeel, het moet bijdragen aan een herevenwicht van de verhoudingen tussen ambachtelijke vissers en industriële visserij, de hulpbronnen beschermen en de gemeenschappen die ervan afhankelijk zijn ondersteunen.