Behalve bij een plotselinge ommekeer op het laatste moment, voortgekomen uit een plotseling verantwoordelijkheidsbesef of uit een onverwacht compromis tussen de regering en de vakbondsorganisaties, belooft vrijdag 10 juli een dag van economische en financiële stilstand te worden. Naast de werkonderbreking dreigt ook de hele nationale productie-omgeving mogelijk op een laag pitje te draaien, met zijn gevolg van productiviteitsverliezen, vertragingen in de publieke dienstverlening, verstoringen van commerciële activiteiten en een verslechtering van het al bestaande wantrouwen dat de economische actoren nu al treft.
Onder de coördinatie van M. c heeft het Front Syndical voor de Verdediging van het Werk (FSDT) een algemene vergadering gehouden een week voor deze beslissende termijn. De vakcentrales hebben hun vastberadenheid bevestigd om de regering ter verantwoording te houden.
Volgens hen zijn de plechtig toegezegde engagements binnen het kader van het Pact voor Sociale Stabiliteit voor het grootste deel onuitgevoerd gebleven. Destijds riep dit pact een enorme hoop op. Het zou een nieuw tijdperk van sociale dialoog moeten inaugureren, de levensomstandigheden van de werknemers duurzaam verbeteren, een klimaat van vertrouwen in bedrijven herstellen en de voorwaarden scheppen voor een inclusieve economische groei die gesteund wordt door sociale vrede. Maar meer dan een jaar na de ondertekening is de vaststelling door de vakbonden bijzonder streng.
Volgens hen wordt de dagelijkse realiteit gekenmerkt door een toenemende hoeveelheid abusieve ontslagen, terugkerende vertragingen bij de loonbetalingen, de financiële verzwakking van vele bedrijven die hun vorderingen bij de staat of bij hun opdrachtgevers niet kunnen incasseren, evenals het niet-naleven van afspraken met name over de generale uitbetaling van huisvestingsvergoedingen, de verbetering van de status van ambtenaren van de lokale overheden en de effectieve toepassing van diverse sociale maatregelen die toch al onderhandeld zijn.
De cijfers die door het FSDT worden genoemd geven de ernst van deze achteruitgang aan. Op 3 juli 2026 telt het vakbondsfront 911 ontslagen die als abusief worden beschouwd, hoofdzakelijk in de publieke en para-publieke sector. Daarnaast komen er meer dan vijfhonderd miljoen CFA-frank aan nog onbetaalde vergoedingen ten gunste van de betrokken werknemers bij. Achter deze statistieken schuilen honderden gezinnen die geconfronteerd worden met onzekerheid, inkomensverlies en een toenemende maatschappelijke onveiligheid.
Voor de organisaties zijn deze sociaal-economische problemen ingebed in een macro-economische context die bijzonder zorgwekkend is. De spanningen rond de overheidsfinanciën, de contantheidsproblemen van de Staat, de krimp van investeringen, de vertraging in bepaalde sectoren en de onderhandelingen met het Internationaal Monetair Fonds (IMF) voeden de bezorgdheid. Velen vrezen dat een mogelijk nieuw programma van economische aanpassing de nadruk zal leggen op begrotingsdiscipline ten koste van sociale bescherming en werkgelegenheid.
De vakbonden vrezen met name dat de eis tot beheersing van de overheidsuitgaven zal leiden tot bevriezing van aanwervingen, een krimp van het personeelsbestand, beperkingen van sociale voordelen of een grotere flexibilisering van de arbeidsmarkt. Voor hen mogen werknemers niet de variabele zijn waarop een economisch beleid dat de grote macro-economische evenwichten moet herstellen, leunt. In deze al gespannen context worden tevens de plannen voor een nieuw Arbeidswetboek en een nieuw Sociaal Zekerheidsstelsel geopperd. Het FSDT meent dat diverse voorgenomen bepalingen de verworven sociale verworvenheden die over decennia van vakbondstrijd zijn bereikt kunnen ondermijnen. De centrales roepen op tot waakzaamheid voor het risico van een toenemende precarisering van werkgelegenheid, een verzwakking van de mechanismen ter bescherming van werknemers en een vermindering van de garanties die het arbeidsrecht biedt.
Een ander punt van grote zorg: sommige bedrijven zouden, aldus de vakbonden, profiteren van lopende herstructureringen om ontslagen door te voeren en daarna door recruteringen die meer gebaseerd zijn op clientelistische overwegingen dan op professionele competenties te vervangen. Als dit waar zou zijn, zou het de beginselen van billijkheid, transparantie en goed bestuur in het beheer van human resources aantasten. Naast loonseparaties staat dus ook de geloofwaardigheid van de sociale dialoog vandaag onder druk. Een sociaal pact heeft waarde alleen als beide partijen zich houden aan de vrijwillig aanvaarde engagementen. Wanneer het niet wordt nagekomen, verliest het zijn regulerende functie en opent het de deur naar sociale conflicten, stakingen en een verslechtering van het ondernemingsklimaat. De gevolgen van zo’n situatie strekken zich verder uit dan de relatie tussen werkgevers en werknemers. Elke stakingsdag leidt tot een daling van de nationale productie, vertraagt de handelsstromen, raakt de fiscale inkomsten, verstoort investeringen en ondermijnt het vertrouwen van de economische actoren.
In een economie die al onder zware begrotingstekorten gebukt gaat, kan een opeenstapeling van sociale conflicten de financiële spanningen verder verhogen en de groeidoelstellingen ondermijnen. De regering en de sociale partners hebben er daarom belang bij om snel de draad van een oprechte en constructieve dialoog te hervatten. Economische stabiliteit kan niet duurzaam berusten op begrotingsdiscipline alleen; zij vereist ook respect voor sociale engagements, bescherming van werkgelegenheid, zekerheid van de inkomens van werknemers en het versterken van het vertrouwen tussen de Staat, werkgevers en de vakbonden.
De regering draagt vandaag een historische verantwoordelijkheid. De vakorganisaties ook. Allereerst rust op hen de plicht aan te tonen dat de uitspraken van de overheid werkelijk haar geloofwaardigheid bindt en dat de ondertekende afspraken geen loutere intentieverklaringen zijn. Aan de vakbonden de verantwoordelijkheid om de belangen van de werknemers te verdedigen binnen een dialoog die veeleisend is, maar gericht op het behoud van het algemeen belang. De komende proef gaat verder dan de confrontatie tussen de Staat en de vakbonden. Het is een test van institutionele rijpheid en sociaal bestuur. Een economie verzwakt niet alleen door begrotingstekorten. Ze verzwakt ook wanneer het vertrouwen verdwijnt, wanneer de publieke woord haar waarde verliest en wanneer de sociale dialoog ophoudt een regulerend instrument te zijn.
Daarom zal 10 juli niet enkel een dag van staking zijn. Het zal het venster zijn waarin Senegal kan aantonen dat het zijn engagementen nakomt, de sociale vrede bewaart en economische urgenties en sociale rechtvaardigheid verenigt. Uit de uitkomst van deze proef zal veel meer afhangen dan slechts een hervatting van het werk. Het gaat om de geloofwaardigheid van het sociale pact, het vertrouwen van de economische actoren en, bovendien, een stuk van de toekomst van de economie van het land.