De hoogleraar publiekrecht aan de Université Cheikh Anta Diop in Dakar, Iba Barry Camara, verdedigt de legaliteit van de procedure voor de inbeschuldigingstelling van de voormalige minister Moussa Bocar Thiam bij de Hoge Raad van Justitie, zoals die op 27 februari door de Nationale Vergadering is goedgekeurd.
De controverse rondom de inbeschuldigingstelling van de voormalige minister van Communicatie, Telecommunicatie en Digitale Zaken, Moussa Bocar Thiam, voor de Hoge Raad van Justitie blijft het juridische en politieke debat voeden. Volgens professor Iba Barry Camara is de kritiek op deze door de Nationale Vergadering goedgekeurde procedure op vrijdag 27 februari ongegrond.
Toen Sud Quotidien hem vroeg naar de legaliteit van het proces dat door de Nationale Vergadering is gestart, bleef de academicus categoriek: de gehele procedure met betrekking tot de inbeschuldigingstelling en de daarmee samenhangende gevolgen vallen strikt binnen de grenzen van de organische wet die de Hoge Raad van Justitie regelt. “Het is de Grondwet die naar de Hoge Raad verwijst, en ook het reglement van de Nationale Vergadering doet dat. De normatieve referentie blijft de organische wet,” legt hij uit.
Verder verduidelijkt de docent-onderzoeker Publiekrecht aan de UCAD dat het argument van het ontbreken van specifieke bepalingen in het reglement van de Nationale Vergadering juridisch niet steekhoudt. “Zelfs als zo’n bepaling erin stond, zou die overbodig zijn. Voor de inbeschuldigingstelling én voor het functioneren van deze justitiecommissie is onmiskenbaar verwijzen naar de organische wet vereist, en niet naar het reglement,” benadrukt hij.
In dit licht voegt de professor Camara eraan toe: “Het bekritiseren van de procedure zou in werkelijkheid betekenen dat men de bepalingen van de organische wet die de Hoge Raad van Justitie regelt, ter discussie stelt. Zolang die bepalingen van kracht zijn, gelden ze voor alle betrokken instellingen.” Concluderend benadrukt hij dat de procedure tegen de voormalige minister “niet alleen legaal is, maar ook in overeenstemming met de geldende teksten”. Hij herinnert eraan dat “de Grondwet en het reglement van de Nationale Vergadering uitdrukkelijk verwijzen naar de organische wet, die in dit geval als juridisch fundament geldt.”
Ter herinnering: de beschuldiging tegen de voormalige minister van Communicatie heeft betrekking op een vermeende verduistering van publieke middelen in verband met de concessie voor de exploitatie van het Parc des technologies numériques du Sénégal (Senegal Connect Park), toegekend in maart 2024 aan de vennootschap Ewan Assets voor twintig jaar, tegen een vergoeding van 15 miljoen euro.
In een bericht op zijn Facebook-pagina van maandag 23 februari had Me Moussa Bocar Thiam de bevoegdheid van de parlementariërs om deze rechterlijke instantie te benaderen betwist, en sprak hij van politieke vasthoudendheid na de goedkeuring door de Commissie voor Wetten, Decentralisatie, Arbeid en Mensenrechten, die hij “zonder wettelijke basis” noemde.
Inderdaad, volgens hem bevat het Reglement Intern dat momenteel van kracht is bij de Nationale Vergadering geen bepalingen met betrekking tot de Hoge Raad van Justitie. “Geen enkele procedure voor aanduiding, geen regels over samenstelling, geen modaliteiten voor vernieuwing; sindsdien de beslissing nr. 2/C/2025 van 24 juli 2025 van de Constitutionele Raad die had verklaard dat artikel 134 van het ontwerp-reglement, dat juist de Hoge Raad van Justitie regelde, in strijd met de Grondwet is.” In een op Facebook gepubliceerd bericht vroeg Aliou Souaré, de voormalige liberale afgevaardigde uit het district Rufisque en tevens specialist in parlementair recht, zich bovendien af waar de Nationale Vergadering zich op zal baseren, nu de Constitutionele Raad in het nieuwe reglement het deel over de procedure van inbeschuldigingstelling in zaken van hoogverraad heeft gecensureerd.