Openbaar vervoer in Guinee: Onvoorspelbaar avontuurlijk


  1. --Guinee
    De dag begint met het vinden van een bus of auto. Dat is al een klus op zich. Het centrale plein van het stadje Kankan staat vol met oude peugeots en minibusjes die in uiteenlopende staat van ontbinding verkeren. Sommige kunnen de uitdaging van een lange rit nog aan. Anderen zijn al jaren opgegeven.

    Tientallen mensen hangen wat rond, wachtend op het vertrek van hun taxi of minibus. Chauffeurs sjorren bagage vast op autodaken. Er wordt gesleuteld aan de motor, de wielen, een weigerachtig portier.

    Rond een houten tafeltje verdringt zich een groepje reizigers: een jongen met een rugzakje op, een lange man met een aktetas, een moeder met een baby op haar rug. De man achter de tafel verkoopt kaartjes.

    Een deeltaxi of bus naar Mamou, zo'n 400 kilometer verderop, die is er volgens de kaartjesman niet. We moeten een taxi naar Conakry nemen, dat twee keer zo ver reizen is, en halverwege uitstappen. Maar we moeten wel voor de hele reis betalen.

    We besluiten nog eens rond te vragen. Een jongen vertelt ons dat er wel degelijk taxis naar Mamou rijden, maar die vertrekken van een parkeerplaats aan de andere kant van de stad. Twee jongens volgden ons gesprek op afstand en komen nu op hun motoren aanrijden om ons een lift te geven.

    We springen elk achterop een motor, compleet met zware rugzak en een dagrugzak, en scheuren door de modderige straten. De jongens ontwijken behendig de vele kuilen en rotsen die de straten van Kankan ontsieren. Binnen tien minuten staan we op een kleine parkeerplaats aan de rand van het stadje, waar een stuk of tien auto's staan te wachten op passagiers. We betalen de jongens en vragen eens rond.

    Dit keer hebben we geluk. Er is een auto die vandaag nog naar Mamou vertrekt. Geen taxi dit keer, maar gewoon iemand die met zijn auto ritjes door het land maakt. In Guinee kan een ieder met een motor, bus of auto passagiers vervoeren en zo wat bijverdienen. Officiële taxi's heb ik hier nog niet gezien.

    Zes mensen gaan er in een gewone personenwagen als deze: vier achterin en twee op de voorstoel. Als de chauffeur een smoezelige handdoek oprolt en op de handrem legt, weten wij wel hoe laat het is. Hij zal niet vertrekken voor hij er een zevende passagier heeft bijgevonden.

    Gelukkig vindt hij zijn passagier al snel. De ongelukkige jongen, die gelukkig niet zo breed is, neemt plaats op de handrem. Met zijn armen steunt hij op de linker- en de rechtervoorstoel. De versnellingspook heeft hij tussen zijn knieën.

    Nu de passagiers binnen zijn, kan de chauffeur zijn geld gaan innen. Een ieder betaalt een vaste ritprijs, plus een onderhandelbare toeslag voor bagage. Met het geld kunnen we gaan tanken. Daarna wil de chauffeur nog een reserveband, en de motor moet nog afgesteld en nagekeken. We stappen uit en kijken vanuit de schaduw toe hoe een jonge monteur met een hamer de binnenband van het reservewiel vervangt.

    De volgorde van passagiers werven en auto-onderhoud is niet vreemd. De chauffeur kan zonder geld geen nieuwe banden of benzine kopen. Bovendien kosten dit soort zaken tijd, waardoor een collega er met zijn klanten vandoor zou gaan.

    Onze zoektocht en geduldig wachten worden uiteindelijk beloond. Zo gaat het altijd. Het mag dan al laat in de ochtend zijn, maar wij komen er nog wel. De tank zit vol. Het reservewiel ligt in de kofferbak. Ons kan weinig meer gebeuren. Vol goede moed stappen we in. Mamou is nog maar acht uur rijden.