Reinier van Oorsouw: Great East Road Zambia


  1. Tekst en foto's: Reinier van Oorsouw
    De tropen hangt in de lucht, verkeer is schaars, het weer onvoorspelbaar en de weg is lang, erg lang. De Great East Road, loopt oostwaarts van Lusaka naar Chipata. De rit is uniek en rauw, máár de beloning des te groter. De dorre vlakte veranderd in een weelderig heuvellandschap. En daarna, door naar South Luangwa, waar wildlife in bos en steppe volop aanwezig is.
    He d'r zit iets op je hoofd
    Het dorre gras kraakt van de hitte langs het bakkende asfalt. Geen ziel te bekennen. Het is zaterdagochtend, 9 uur. Onder de schaduw van een karakteristieke Jacaranda boom, met felrode bladeren, wacht ik tevergeefs op een rit. Af en toe een auto, maar niet één stopt als ik met mijn handen op en neer wapper. Mijn fles water is flink opgewarmt, het wachten duurt al ruim een uur. Een halfuur rijden uit het centrum van Lusaka, dan ben je voorbij de laatste afslag; vanaf hier is het immer gerade aus op de Great East Road naar Chipata. Daar wacht ik, en eindelijk stopt een personenauto. Die kan me tot vlak voorbij Chongwe brengen, zo’n 30km verderop. Gaan!

    Op weg
    Mijn backpack in de achterbak, ik voorin. Eindelijk onderweg. Met hier en daar een bocht slingeren we vlot op Chongwe aan. We passeren dorre weilanden, waar het rode zand overheerst. De bomen zien er, ondanks de huidige regentijd, tragisch uit met herfstkleuren. Vrij vlot bereiken we Chongwe, de chauffeur moet zo’n 10 kilometer verderop zijn.

    Wachten
    De afslag die mijn lift neemt is een rood zandpaadje, aan weerszijden bomen, een doorkijk tot aan de horizon. Even geniet ik van het beeld van de wegrijdende auto. Dan over naar de orde van de dag: een lift vinden naar Chipata. Bepakt en bezakt wandel ik het dal uit, naar de top van de heuvel. Bij iedere stap voel ik de kilo’s drukken op mijn schouders en de zon in mijn nek branden. Vanaf een plekje in de schaduw heb ik zicht de weg, maar nog geen aankomend verkeer.

    Een stip in de verte, die wordt langzaam groter en groter. De wagen rijst op uit de hitteweerspiegeling van de weg; een tourbus. Ik spring op en begin enthousiast te zwaaien. Naarmate de bus nadert lijkt hij vaart te minderen, fijn! Dan stopt ie vast voor me. Maar nee, vlakbij mij gooit de chauffeur het gas er weer flink op, wat achter blijft is een dichte stofwolk. Ik ga weer zitten en neem een slok water. Mijn halve liter Manzivalley is mijn enige vochtvoorraad.

    Het zweet pinkelt van mijn voorhoofd, inmiddels is het klokslag twaalf. In deze hitte is wachten afzien. Weer een voertuig in aantocht, een witte pick-up zo te zien. Het zwaaien helpt, een Nissan Patrol stopt met daarin een Zambiaans echtpaar. Ze gaan naar Chipata! Ik klauter achterin, het bakkie trekt snel op.

    Full speed
    We gaan snel, met zo’n 110 km/p/u suizen we over de Great East. De wind waait hard in mijn gezicht, de schrijnende hitte ben ik al vergeten: dit is genieten. Met het vrij vlakke Lusaka steeds verder achter ons begint het landschap meer en meer te veranderen. De pick-up hobbelt over hoge heuvels waarop grote, groene bomen staan.

    Ook de bebouwing veranderd. De hectische hoofdstad, met in het centrum een verzameling Oostblok wolkenkrabbertjes, maakt plaats voor miniscule dorpjes. Hier en daar een winkeltje van steen maar voornamelijk hutjes van klei met daken van riet, de één oogt nog gammeler dan de ander. Langs de weg vindt je veel kleinschalige verkoop, afkomstig uit de dorpjes. Houten stands in de berm met daarop stapeltjes tomaten, stukken cassave, ladingen mango’s kom je sporadisch tegen. Oude 25 Kg Mealie Meal zakken volgepropt met zwarte bonken houtskool zijn ook populair. De meeste zijn met een secuur vlechtwerk van touw en takken verstevigt waardoor er nog een flinke laag boven de zak uitsteekt.

    Village Meals
    De Nissan mindert vaart, we slaan een zandpaadje in. Volgens mijn berekeningen zijn we nog niet halverwege, wat is er aan de hand. “I want to visit my mom for 10 minutes” schreeuwt de chauffeur van achter het stuur. Ik stuiter op en neer tot we over het hobbelige weggetje het een lemen hutje bereiken.

    Moeder staat al buiten, een oude maar kwieke dame gekleed in kleurrijke motieven. “I’m having lunch, join me” zegt ze. Dat kan ik niet weigeren. Ik schuif aan op het rieten kleedje in de schaduw van een boom waar wat potjes en pannen staan. Het vrouwtje houdt een teiltje voor me met daarboven een gietertje: tijd om mijn handen te wassen.

    Dan worden de deksels verwijderd. Ik zie een aantal flinke bonken nshima, een vaste vorm van maïspap waar je in Zambia niet omheen kan. Vlak na onafhankelijkheid hamerde de eerste president Kaunda dit gerecht hardhandig de keuken in. Volgens Zambianen heb je een dag niet gegeten als je geen nshima achter de kiezen hebt, je vindt het dan ook overal op de menukaart.

    In een ander pannetje zitten stukjes kip, ook is er een potje met groenten. Met mijn hand haal ik een stukje van de nshima af welke ik traditioneel in een balletje rol en na het dippen in de jus van de kip opeet. Dan een hapje groenten, de flink gezouten rape (qua smaak vergelijkbaar met boerenkool) gaat er goed in.

    Luangwa
    Halverwege de rit komen we in een kitch dorpje, gelegen bij de afslag naar Luangwa, met langs de weg houten winkeltjes waarin kapenta (gedroogde vis) en houtsnijwerk word verkocht. Dit dorpje ligt aan de Luangwa rivier die tussen de winkeltjes door al zichtbaar is. Door de droogte is de bedding grotendeels zand, de stroom water is beperkt. Vanaf de brug, die erg toepasselijk Luangwa bridge heet, kijk je uit over de rivier en ook zie je deels Mozambique.

    Vanaf daar leidt een weg steil omhoog, de Nissan rijdt voor het eerst langzaam, met moeite komen we bovenaan de heuvel vanwaar we nog eens een goed zicht hebben op de achtergelaten brug en de omgeving. Als de afdaling weer begint geeft de pick-up weer gas: tijd voor het tweede deel van de rit.

    Regenseizoen
    Opeens verdwijnt de stralende zon en stapelen wolken zich op. In de verte wordt de lucht donker en grauw. Het Zambiaanse regenseizoen start ergens in November, de maand waarin ik ook reis. Het weer slaat plots om. Boven de primitieve dorpjes hangt een onheilspellend grijsblauwe lucht met even later zelfs een regenboog.

    Aan mijn tot voorheen zo relaxte zitting achterin de open pick-up begin ik nu wel te twijfelen, vooral als het begint met druppelen. Ik blijk geluk te hebben. De chauffeur rijdt zo snel dat de meeste druppels me achterin niet raken. Erg bizar, middenin een regenbui zitten maar nauwelijks nat worden.

    Het geluk blijkt van korte duur want na het eerste buitje is er al een tweede opkomst. En dit is geen kleintje; het begint te hozen, en hard ook. De regendruppels knallen door de wind pijnlijk in mijn gezicht. Onder een stukje zeil dat in de achterbak ligt doe ik een verwoede poging droog te blijven, maar mijn poging lijkt nutteloos: een paar minuten later ben ik compleet doorweekt.

    Zo gaat een uur voorbij, dan pas mindert de regen. Zeiknat stoppen we bij een lodge langs de weg om even bij te komen. Na dat de regen is opgehouden en ik een opdroogbeurt heb gehad wordt aan de laatste sessie Great East begonnen.

    Chipata
    Een goeie anderhalf uur later rijden we onder het bord “Welcome to Chipata” door, mijn eindpunt voor de dag. Ik word gedropt bij Larisa’s, een klein guesthouse in een zijstraatje van de main road door het centrum, waar ik na een hapje avondeten – nshima -natuurlijk – al snel in slaap val.

    In een stad met zo’n 350.000 inwoners verwacht je een bruisend centrum, maar tot mijn verbazing beslaat het centrum gebied slecht 1 straat waar ik vrij vlot doorheen wandel. Erg opvallend zijn de fietstaxi’s die je voor een paar pin (1 pin = 1000 Kwacha, zo’n ¤0,20) de stad rond fietsen. Een bewijs dat Chipata niet te vergelijken is met het uitgestrekte Lusaka. Eveneens qua uiterlijk; de stad bestaat uit laagbouw en is omgeven door talloze heuvels.

    De weg naar Mfuwe
    Niet te verwarren met de omgeving die ik halverwege de Great East passeerde: South Luangwa National Park ligt grofweg 150km ten noorden van Chipata. Zes uur ’s ochtends zit ik langs de weg in hoop op een lift naar het dorpje Mfuwe, dat vlak voor het park ligt.

    Veel geluk heb ik niet. Ik wacht en wacht, de zon wordt warmer en warmer. Pas na ruim drie uur te hebben gewacht rolt een rode Datsun 1400 voorbij. Henry, de chauffeur van het roestige barrel, biedt me een lift aan naar Mfuwe. Argwanend over de betrouwbaarheid klim ik in de gesloten achterbak; veel meer keus heb ik niet. Een paar kilometer verderop klimmen er nog een aantal mensen in en een fiets wordt op het dak vastgebonden. De achterbak word als maar krapper en gekreukeld gaan we verder: dit wordt een zware rit.

    Niet veel verder eindigt het asfalt, we gaan verder op zand. Tot mijn grote verbazing gaat de Datsun er niet zachter van rijden, Henry geeft zelfs gas bij. Een uur verder begint mijn lichaam te klagen. De benarde positie, de weg die vol knalharde hobbels zit en de zweterige hitte maken het er niet gemakkelijk op. Raar maar waar krijgt de warmte toch grip op mijn slaapgebrek en als snel dommel ik in tegen een koelvriesbox gevuld met kwalijk riekende worstjes.

    Bovenop een heuvel stoppen we weer en word ik wakker. We zijn bij de vallei waar South Luangwa ligt. Een prachtig uitzicht over de groene vallei geeft me genoeg redenen om de erbarmelijke rit bij mezelf te verantwoorden. We stoppen niet voor niks. Weer worden er mensen bij ingeladen, het totale aantal in de auto staat nu op 14. Om dit te laten passen wordt de achterklep open gegooid en de twee meest fitte jongens gaan achterop staan.

    Een bordje langs de weg geeft aan dat we net de afslag naar het vliegveld (waarop veel toeristen invliegen) zijn gepasseerd. Vanaf hier is het nog 26 kilometer. We zijn er bijna, vanaf hier ligt er zelfs weer asfalt. Een Landrover haalt ons in die net een horde toeristen van de airstrip heeft gehaald. Met een flinke vaart sjeest hij ons voorbij: Henry ziet dit als een uitdaging. Kuchend en proestend geeft hij gas en gaat de achtervolging aan. Langs de weg lopen aan weerszijden mensen, het asfalt zit vol putholes en op de achterklep klampen zich nog steeds twee jongens zich vast, dat weerhoudt onze chauffeur zich er niet van zijn Datsun met een rotvaart langs de Landrover te manouvreren. De mensen in de achterbak hebben schik: dit is een leuk spel.

    South Luangwa safari
    Door de snelheid zijn we vlot in Mfuwe. Henry biedt aan om me bij een lodge te droppen waar ik na inchecken gebroken op een bedje neerval.

    Even later staat er een stevige safari-auto voor de deur: tijd voor een Game drive. We steken de brug naar het park over, het wildlife spotten kan beginnen.

    Een kudde impala’s staat al op ons te wachten zodra we het hek door zijn. Grazieus hoppe ze weg, de bosjes in. Verderop zien we een kudde jonge olifanten die op hun gemak staan te eten. De 4x4 tuft rustig verder door de wilde beplanting. We lopen wat zebra’s tegen het lijf. Zo stapelt het aantal dieren zich op. Bij een meer ligt een lading nijlpaarden te baden, omstebeurt trekken ze hun bek is goed open. Op de kade ligt een krokodil, bedekt met kroos, te relaxen.

    De man achter het stuur zegt dat we een goeie sessie hebben nadat we ook nog een boom vinden waarop een handjevol gieren en een Kariboe zitten. Ook de buffels blijken ons goedgezind; ze zwerven er in grote getale rond. Dan slaat de schemering toe, we rijden naar de rand van de rivier die op een verhoging van zo’n 10 meter ligt. Als we ons omdraaien zien we op de lege vlakte achter ons tientallen olifanten een wandeling maken. Het tweetallige personeel klapt een tafeltje uit en serveert een drankje; een Mosi – Zambiaans biertje – gaat er goed in zodra de zon in de verte verdwijnt.

    De chauffeur zet de koplampen aan, we gaan verder. De bijrijder pakt een losse lamp en zoekt in de donkere bossen naar dieren. Totaal in het donker valt het licht op wat ogen in de verte. Als we naderen blijkt het een hyena te zijn, die ons even de kans geeft om zich te bekijken waarna hij weer in de nacht verdwijnt. Voldaan maar vermoeit plof ik in mijn bed neer en kruip onder de klamboe.

    Terug naar Chipata
    Vlak na zonsopkomst zit ik in Mfuwe weer langs de weg. Een voorbijganger komt een praatje maken: “Ah, you want to go to Chipata? You won’t make it back during the week”. Dat stelt me niet op mijn gemak, het is namelijk dinsdag. De voorbij sluipende uren, zonder auto’s in de juiste richting, laten me nog meer twijfelen. Kom ik vandaag wel in Chipata? Het sporadische verkeer gebaart allemaal dat ze niet ver gaan, dat is mooi balen.

    Rond 9 uur stopt er een grote truck, volgeladen met zakken maïsmeel, kratten Coca Cola en waspoeder. “Yes, we go Chipata” krijg ik te horen. Dat is mooi! Ik klim de truck in en vind een zitting in een zak meel. In de achterbak zitten en staan zo’n tien locals, van volwassen mannen tot jonge meisjes met babies die ze in een chitenga meedragen. Hier en daar springen nog wat mensen de truck uit, anderen klimmen erbij in. De truck veranderd in een lokale opstapbus.

    De hoge wagen geeft een goed uitzicht over het rode landschap, met hier en daar een halfbegroeide akker. Na een halfuur stoppen we bij een klein winkeltje waar de zakken meel uit worden geladen. “Get out” zegt de chauffeur. “We’re picking up some mango’s, you wait here”. Voor het winkeltje van 3 bij 3 – maar die zich wel een ‘Shopping Centre’ durft te noemen – neem ik plaats.

    Op het moment dat ik me totaal vergeten en verlaten voel verschijnt de truck in de verte, vol beladen met zakken mango’s. “Ok, we go now”. De mango’s zitten lekker zacht en nog hoger waardoor het uitzicht nog beter wordt.

    De truck neemt een andere, nog meer afgelegen route dan de Datsun op de heenweg. Kilometers lang worden we omringt door riet, hoge bomen en dan weer door eindeloze vlaktes met af en toe een hutje. Zo stuiven de kilometers aan me voorbij.

    Tot mijn grote verbazing liggen de mango’s comfortabel genoeg om me in slaap te wiegen, ondanks het rondvliegende zand, de herrie makende motor en de brandende zon, die me pas een uur later weer wakker weet te maken als we net weer het asfalt opknallen.

    Verwilderd spring ik in hartje Chipata van de truck af en wandel naar mijn guesthouse waar ik al eerder verbleef. Onder de douche was ik een halve Sahara uit mijn haren en schrob de zwartgeblakerde plekken van mijn gezicht. Ik ben weer schoon!