Hoe het begon met Moses en zijn kip


  1. Ik zat op de achterbank van de fourwheeldrive van UNDP, de ontwikkelingsorganisatie van de Verenigde Naties. Voorin zat water-coördinator Melvin naast zijn chauffeur. Naast me, gehuld in een bruine overal met gat zat Appollo, het stamhoofd van Ruhiira.
    Hier, en in 11 andere dorpen in Afrika startten de VN in 2006 een enorm hulpprogramma waarmee ze in vijf jaar alle millenniumdoelen proberen te halen: het Millennium Villages Project. Ruhiira is het millenniumdorp van Oeganda en ik poogde al drie maanden toestemming te krijgen om het de nieuwgebouwde scholen en ziekenhuizen te bezichtigen. Paps en mams leerden mij dat ontwikkelingshulp goed is en naar mijn idee konden alle arme Afrikanen wel een zakcentje gebruiken, dus ik wilde graag zien wat voor goed werk de VN in Ruhiira deden.

    Kyu Young Lee, van het Earth Institute moest mijn trip naar het projectterrein organiseren. Dat deed ze niet. In plaats daarvan stuurde ze me elke week een nieuw smoesje per mail. Voorzien van een zoet sausje van excuses en de beste wensen. Een greep uit de eerste reeks emails:
    “I’d be happy to help connect you to the best people to support your article.”
    “Let me check on people’s availability and get back to you shortly.”
    “Because of the academic holiday, it’s been difficult tracking people down.”
    “I’ll put in some inquiries and see our ground team’s schedules are like and get back to you soon. In the meantime, here are some background materials and press articles that should make a good start.”
    “Sorry about the radio silence. I’ve been in contact with our teams and they are still determining the best date we can accommodate a trip.”

    Onze mailconversatie eindigde drie weken voor ik terug naar Nederland zou vliegen: “My apologies,” mailde Kyu. “I am afraid we will not be able to accommodate a visit to the village at this time. Our team in Ruhiira is under extreme pressure to complete a number of project goals by the end of the year and there is no media liaison that could accompany you to make a trip ultimately worthwhile.”

    Om die reden besloot ik zelf per bus, gedeelde taxi en tot slot drie uur achterop een scooter naar Ruhiira te reizen. Daar aangekomen bleken ontuitgenodigde journalisten niet welkom - dus werd ik in een VN-auto geduwd die me moest terugrijden naar de hoofdstad van het district, Mbarara.

    Oegandese coordinator Melvin vond een blondje op zijn achterbank echter erg gezellig en dus mocht ik mee terwijl hij zijn werkzaamheden deed. We controleerden de nieuwe waterpunten - chauffeur Martin jaagde de dorpelingen weg - want Melvin sprak de lokale taal niet - en dan plaatste een van de twee een jerrycan onder het dunne straaltje water dat uit een pijp vloeide. Met zijn nokiatelefoon hield Melvin bij hoelang dit duurde waarna hij de resultaten op een kladblokje krabbelde. “Jullie zijn stom. Jullie halen de stenen voor de pomp niet weg,” siste hij de dorpelingen toe. Die verstonden niets van zijn woorden dus richtte Melvin zich tot mij: “Het is alsof de boeren hier niet geholpen wíllen worden!”

    Op weg naar het volgende waterpunt reden we een geit dood. Martin vond het leuk om met 80 kilometer per uur over de bospaadjes te scheuren en wandelaars en beesten met luid getoeterd te waarschuwen dat ze gauw de berm in moesten springen. Deze geit - ter waarde van een jaarsalaris van de boeren in Ruhiira - was niet op tijd. De VN-mannen haalden hun schouders op. De dorpelingen kregen zoveel via Het Project dat een geit meer of minder weinig uitmaakte. We vervolgenden onze tour en troffen langs de kant van het pad nog drie platte beesten aan.

    Bij waterpunt twee stond boer Moses al op de VN-jeep te wachten. Hij had een kip. Een hele grote kip. En stamhoofd Appollo moest die kip van hem kopen betoogde de man. Appollo kon zich daar wel in vinden - de hen was inderdaad enorm en hij had wat goed te maken met zijn tweede vrouw dus stopte hij Moses wat geld toe op voorwaarde dat de boer niets tegen vrouw één zou vertellen. Moses knikte gedwee.
    Dat was het moment waarop coordinator Melvin mijn camera ontdekte: “Hé, zet Appollo eens met die kip op de foto!” Ik hief mijn camera op en meteen liet Moses zich schreeuwend op de grond vallen. “Nee! Nee! Nee!” Appollo en Melvin keken elkaar aan: “Stomme vent. Hoe kunnen we dit dorp nou helpen als de mensen zich als idioten gedragen als we met moderne apparaten aankomen? Hup, maak die foto!”

    Dat was het moment waarop een andere frase uit Kyu’s mails door mijn hoofd spookte: “The entire project is based on community-led and driven programs. Everything that is done requires a level of acceptance and understanding by the villagers we work with.” Moses kwam zwaaiend met zijn panga (kapmes) op ons af en de VN-mannen stapten gauw in hun wagen en scheurden luid lachend naar Mbarara. Appollo kreeg een lift naar het dorpsplein - daar zou hij vrouw één ontmoeten en samen met haar drummen en liedjes zingen voor de dorpelingen over condooms en monogamie ter preventie van aids. Zijn grote kip voor vrouw twee vergat hij in alle hectiek in de achterbak van de fourwheeldrive.

    Aangekomen bij het VN-kantoor deelden de hulpverleners me mee dat ik de komende maanden geen bezoek aan het dorp mocht brengen. Ik besloot dat ik een artikel wilde schrijven over dit gemeenschapsgeleide project.
    Hoe het begon met Moses en zijn kip