Het kippenhok


  1. Ik lig achteruitgezakt op de voorste passagierszetel van een overvol taximinibusje dat net vertrokken is. Af en toe kijk ik dromerig op van mijn boek en staar naar het voorbijflitsende landschap waarin ik dichtbij een bananenplantage ontwaar en veraf een uitgestrekt meer. Een zeearend overstemt met zijn geschreeuw het geronk van de motor. Het geluid van Afrika. Ik weet dat het meer, de groene velden en de asfaltweg een vijftigtal kilometer verder ophouden en plaats ruimen voor het verdorde sorghumlandschap van Konso. Maar toch wil ik er terug naartoe. De klus waaraan ik begonnen ben moet verder gezet worden en hopelijk ooit klaar komen. Ik sluit mijn ogen en droom van Ethiopische maaltijden. Soms een nachtmerrie, dan weer verleidelijk. Doro is kip, asa is vis, siga is vlees, repeteer ik binnensmonds.

    Het busje stopt en vertrekt. Sommigen eruit, anderen erin. De volgende halte duurt langer dan normaal en ik stap uit. Een pronte dame met guitig zoontje en volgepropte plastic tassen wil haar bagage op het dak en haarzelf en de jongen naast mij voorin. Ik maak geen bezwaar en nodig het tweetal uit. De assistent bindt de bagage bovenop. Een knakker die bovenop zijn hoofd – dat hij beschermt met een verschoten baseballpet – een zelf gevlochten kippenhuis balanceert, komt haastig aangelopen. Hij wil ook mee. De assistent bindt zuchtend het kippenhok bij op het laadrek.

    Ik zit nu samen met het guitige zoontje geplet tussen zijn pronte moeder en het portier. We denderen van een stuk asfalt een grindweg op. Plots hoor ik de uit het raam van de schuifdeur hangende assistent schreeuwen. “Doro doro doro doro %&#@,” jankt hij. Ik denk eerst aan een zoveelste sirene die onze bestemming moet verduidelijken aan naast de weg staande lifters. Maar plots herinner ik me mijn Amhaars woordenlijstje. Kip kip kip kip %&#@, vertaal ik binnensmonds.

    Doro doro %&#@ doro, hoor ik weer. “Er moet iets met dat kippenhok zijn,” suggereer ik aan de guitigaard naast me, wetende dat hij me toch niet verstaat. De chauffeur denkt er hetzelfde over want hij stopt en roept iets naar de verschoten baseballpet. “Asphalt, doro %&#@ asphalt,” stottert deze laatste terug. We draaien terug. Het gevlochten kunstwerk blijkt ergens, voor we op de grindweg kwamen, van het laadrek gedonderd te zijn. Verdomme, mompel ik binnensmonds, eerst vertraging door een verwend nest op het busstation en nu dit.

    De chauffeur stopt zijn busje bij enkele bijenkorfzeulende imkers naast de weg. Of ze geen verdwaald kippenhok hebben gezien, begrijp ik vanwege het vele doro en gebaar naar het laadrek. De honingverzamelaars trekken van niets wetend hun schouders op. Verschoten baseballpet wordt uit de wagen geroepen. Een discussie, waar ik niet de woorden maar wel de context van versta, vangt aan. De chauffeur is duidelijk niet van plan terug te rijden om het vlechtwerk te zoeken. Ondertussen kan iedereen ermee weg zijn, vermoed ik dat hij zegt.

    De arme petdrager, die als plattelander goed weet dat hij bij de minste toegeving van zijn kant door de zonnebrildragende stadsbewoner zal worden gedumpt, doet wat hij moet doen, trekt zijn baseballpet wat verder over zijn oren en zegt nee tegen elke suggestie die hij van de ongeduldige chauffeur krijgt. Een Isuzu truck, met aan het stuur een met onze chauffeur bevriende bestuurder, die de richting van de plaats des onheil uitrijdt, wil hem wel meenemen. “Nee,” zegt pet, koppig en zelfzeker. Hij wil hier en nu een nieuw kippenhuis, begrijp ik.

    Schaakmat voor onze chauffeur. Ruzie van het soort dat niet zelden ontaard in blijvende vetes en conflicten op de route die hij elke dag twee keer rijdt, moet vermeden worden. Enkele lieve woordjes later zit verschoten baseballpet samen met de rest van ons weer aan boord. Tot mijn verbazing rijden we toch richting onze bestemming. Guitig jongetje naast me knipoogt, zijn pronte moeder lacht hardop. Ik wacht af.

    We stoppen in het volgende dorpje. Iedereen stapt uit. De discussie – weliswaar wat kalmer dan voorheen – gaat verder. Omstanders komen nieuwsgierig naderbij. De chauffeur praat op vriendelijke toon maar onze kippenboer zwicht niet. Plots hoor ik de tegen de schuifdeur leunende assistent schreeuwen. “Doro doro doro doro %&#@,” jankt hij. Ik ervaar een déjà entendu. Een taximinibusje met bovenop een stevig vastgesjord gevlochten kippenhuis komt aangereden en gaat in de remmen. Stof omhoog.

    Het blijkt niet om ‘ons’ kippenhok te gaan maar de geldruikende eigenaar ervan wil wel zaken doen. Onze chauffeur windt er geen doekjes om. Hij koopt het kleinood voor veel te veel geld en schenkt het met nog meer gebaar aan de pettendrager, blij van de last af te zijn. “Amusegenalo,” bedankt de plattelander hem en wandelt samen met zijn familie en vrienden het dorp in. Het kippenhuis wordt door een knulletje met verschoten baseballpet achterna gedragen. Dat andere kippenhuis? Wel, dat komt zeker nog terecht!

    Meer Afrika in woord en beeld op http://www.frankfocus.com.