Goed bedoeld


  1. Wonen als blanke in een land als Ethiopië is te vergelijken met het leven van een celebrity: iedereen kijkt tegen je op en lijkt je geweldig te vinden, maar bij iedere vriendschap word je gedwongen je af te vragen hoe oprecht de motieven zijn.

    Brakjes van mijn bijna voorbije voedselvergiftiging zit ik op mijn bed. Het is zaterdagmiddag.
    Ik kijk op van mijn toetsenbord en zie mijn deurkruk naar beneden gaan. Als de deur openzwaait zie ik dat het Seid is.
    “Hey man, hoe is ie?” “Ik hoor dat jij ziek?”
    Hij geeft me een Ethiopische hand, zoals gebruikelijk amicaal met de binnenkant van de schouders tegen elkaar.
    ”Ach ja, voedselprobleempje. Maar komt goed.”
    ”Jij niks gedaan vandaag?”
    ”Wel, wat gewerkt op de uni. Maar vooral geslapen, inderdaad.”
    Seid fronst zijn wenkbrauwen. “Wat is dat?” Hij wijst naar mijn gebarsten lip. Resultaatje van de droogte, zon en het net te laat beginnen met blistexen.
    ”Oh, niks.”
    Seid grinnikt.
    Zit ie me nou uit te lachen? Ik begin de neiging te voelen om me nog iets zieker voor te doen, zodat hij snel weer is opgerot uit mijn kamer.
    ”Jua zei dat morgen we afspreken,” gaat Seid verder. “Jullie bellen.”
    Hmm, hij heeft hem dus weer politiek correct afgepoeierd.
    ”Tja we zullen zien of ik beter ben,” zeg ik tactisch.
    “Heh?”
    “Je weet wel, dat ik morgen misschien de pleepot nog in drie kleuren overspuit. ZIEK.”
    “Ah ya. Tot morgen.” Seid verdwijnt en ik weet mijn zucht net lang genoeg in te houden tot hij de deur achter zich sluit.

    Even later hoor ik weer gerommel aan mijn deur. Dit keer is het Jurriaan. “Wees gerust, ik ben het maar.” Jurriaan heeft ook een aversie ontwikkeld tegen de jongen, dat is duidelijk.
    Sinds het incident van afgelopen dinsdag heeft Seid echt afgedaan.

    Het begon allemaal een stuk prettiger op onze eerste werkdag. Seid leek uit de hemel gezonden toen wij op zoek waren naar onze begeleider, zwervend over de campus. Hij wees ons de weg en was meteen onze vriend. Als we hem nog ergens voor nodig hadden, moesten we hem maar bellen.
    Seid bleek al snel onafscheidelijk van ons. Als zelfbenoemde personal assistant, voor al uw zakelijke en ontspannende zaken. Handig, want we moesten nog heel wat mensen langs en hij kon mooi met ons de omgeving verkennen. Maar ook zenuwtergend.

    In de week die volgde ging er geen dag voorbij dat we Seid niet ontmoetten. Als hij geen sms stuurde dat hij ‘een vriend aan ons wilde voorstellen’ liepen we hem wel tegen het lijf als we ’s ochtends van ons hotel naar onze werkplek slenterden. We begonnen enigszins te twijfelen aan de rol van het toeval in dit geheel, maar wilden de jongen niet meteen van allerlei zaken verdenken.
    Op de tweede dag liet hij ons zijn huisje zien. Geboeid hoorden we zijn verhaal aan. Hij was sinds zijn zesde wees en kon naar de universiteit door ’s middags auto’s te wassen en ’s avonds te studeren. Hoewel hij het niet ruim had, dat liet hij meteen al indirect weten. We wilden er geen directe consequenties aan verbinden, maar de bedenkingen bij zijn oprechtheid namen wel steeds meer toe.

    Op de vierde dag bleek hij ineens een huis voor ons geregeld te hebben. Inderdaad, we waren op zoek, dat konden we niet ontkennen. Maar aan hem hadden we niks gevraagd. Met de opmerking dat we binnenkort wel iets toegewezen zouden krijgen van de universiteit deden we het aanbod van de hand. Dat de wc eruit zag als een net weer tot leven gekomen vulkaan en de douche ‘morgen klaar zou zijn’ hadden we gelukkig ook nog twee geloofwaardige argumenten in handen.

    Ons werk op de office nam steeds concretere vormen aan en Seids neiging om er ‘gezellig’ bij te komen zitten veranderde niet.
    Op vrijdagmiddag barstte er bij mij een bommetje. Seid had weer eens naast me plaatsgenomen en was een luidruchtige discussie aangegaan met een vrouwelijke collega over het al dan niet geslaagd verlopen van contacten tussen hem en mensen van de vrouwelijke soort.
    Na mijn uitbarsting keek Seid me met grote ‘ik bedoel het toch goed’ ogen aan. Ik wist niet wat ik ermee aan moest, maar Jurriaan gaf een klein bevestigend knikje. Hij moet zijn grens leren kennen.

    Lastig, dat was hij dus. Maar tegelijkertijd ook ontzettend behulpzaam en nuttig. We wilden hem niet uitbuiten, dus probeerden we hem wat terug te geven. Lunch, cola, bananen, verhalen, niet te veel geks. We wilden niet te ver gaan: hij moest niet denken dat hij maar gewoon achter ons aan kon blijven lopen en dat dan alles voor hem betaald zou worden. We zochten naar de balans. En naar zijn motief.

    Dinsdagmiddag viel zijn doek. Als dagelijks zaten we aan de door ons gefinancierde lunch van injerra en pasta, maar Seid was minder spraakzaam dan normaal. Wij keken wat aapjes uit de boom, tot hij plotseling het zwijgen doorbrak.
    ”Weet je, ik moet…” mompelde hij.
    “Zeg het.” beval Jurriaan hem.
    ”Kunnen jullie mijn huur betalen?”
    Het hoge woord was er uit. We hadden het niet willen aannemen, maar wel voorvoeld. Natuurlijk begrepen we de situatie. Toch voelde het als een nederlaag. Een collectieve.
    Met een vreemd gevoel in mijn buik gaf ik hem het stapeltje biljetten.
    Tien euro. Voor ons een schijntje.
    Eenmalig, dat zeiden we er meteen bij. Dat accepteerde hij, zei hij.

    In de dagen die volgden liepen Jurriaan en ik allebei rond met een onbestemd gevoel. Hadden we er goed aan gedaan hem het geld te geven? Moesten we accepteren dat het hier zo ging? Dat zij die het beter hadden op deze manier de zwakkeren steunden? Vriendschap hoor je niet te kopen, daar waren beiden misschien wel té veel van doordrongen. We wilden ook geen botte westerlingen zijn, die alleen maar profiteren van de Afrikanen en er niks voor teruggeven. Ook wij bedoelden het goed.

    Hij had geen kwade bedoelingen. Met dit soort dingen moesten we leren omgaan. Wij hebben het nu eenmaal goed getroffen, en voor anderen is dat verschil moeilijk te accepteren als het dichtbij komt. Soms voel je je schuldig over je bevoorrechte positie. Lijkt het een blok aan je been om écht in contact te komen met de mensen hier.
    De afgelopen week verbraken we langzaam het gevoel met Seid. Niet omdat we hem niet meer nodig hadden, of omdat hij ons probeerde leeg te zuigen. Maar omdat de balans en het vertrouwen voor een verdere vriendschap ontbrak.

    Het kan ook anders, gelukkig. Later die week ontmoetten we Amdihun, een goedlachse onderzoeksmedewerker die momenteel wacht tot in januari zijn project weer start. We charterden hem voor ons onderzoek en hij nam ons meteen mee naar alle middelbare scholen in de omgeving. Amdihun komt goed voor zijn rechten op, maar is honderd procent oprecht. Dat durf ik met een even grote zekerheid te stellen. En hij voelt mensen aan, ook als ze westers, interessant en in zijn ogen rijk zijn. En dat is de basis voor een heel goede, intensieve samenwerking.