Geen vooruitgang zonder eigen theefabriek


  1. Dit achtergrondartikel over de theeboerenassociatie verscheen in 2005 in het NRC Handelsblad


    Fluctuerende prijzen op de wereldmarkt en slecht betalende afnemers: boeren in ontwikkelingslanden staan er meestal machteloos tegenover. In Rungwe, een regio in Zuidwest-Tanzania, zijn de theeboeren er in geslaagd deze situatie te keren.

    ‘Chai Yako!’, roept de voorzitter van de boerenassociatie. Een dertigtal theeboeren zit opeengepakt op wankele houten bankjes. Ze steken hun vuisten de lucht in en antwoorden gedreven: ‘Chai Yako!’ De kreet galmt meerdere malen door het kale, bakstenen gebouwtje. ‘Jouw thee’, betekent het, maar het is ook het eigenmerk van de associatie. Een merk waar de boeren trots op zijn. Want de theebladeren komen van hun eigen planten, worden geplukt door hun eigen handen. Heel precies, het topje van de struik: twee jonge, lichtgroene bladeren en het knopje daartussenin.
    Het plukken van theebladeren is een zeer precieze en fijne handeling. Het werk kan nauwelijks door machines gedaan worden en de thee-industrie is daardoor zeer arbeidsintensief. De boerenassociatie in Rungwe, een groen en heuvelachtig gebied in Zuidwest-Tanzania, telt ruim 16.000 leden, verspreid over 108 dorpen. Alle leden zijn zelfstandige boeren, ‘smallholders’ genoemd, die ieder gemiddeld minder dan een halve hectare land bezitten.
    De Rungwe Smallholders Tea Growers Association (RSTGA) is één van de elf associaties van kleine, zelfstandige theeboeren in Tanzania. Samen met de grotere boeren en de grote theeplantages, van onder andere Unilever, zorgen de smallholders voor een jaarlijkse theeproductie van ruim 25 miljoen kilo. Tanzania is daarmee naast Kenia, Malawi en Oeganda één van de grootste theeproducenten van Afrika, en hoort wereldwijd tot de twintig landen met de hoogste theeproductie.

    De eerste theestruiken
    Het waren echter niet de lokale boeren, maar de Duitse kolonisten die begin twintigste eeuw de eerste theestruiken plantten. Na de Tweede Wereldoorlog werden de theeplantages onder Engels toezicht fors uitgebreid. De smallholders begonnen pas na de onafhankelijkheid van Tanzania in 1961 een rol te spelen in de thee-industrie. De zelfredzaamheid van deze kleine boeren werd één van de pijlers van het nieuwe, socialistische Tanzania van president Julius Nyerere. De Tanzania Tea Authority, opgezet door de regering in 1968, ontwierp een actief ondersteuningsbeleid voor de smallholders.
    In de jaren tachtig bereikt de productie van de kleine boeren een piek en produceren zij een kwart van de totale Tanzaniaanse thee. Maar in dezelfde jaren holden de omstandigheden van de smallholders achteruit. De prijs van theebladeren daalde. De Tea Authority, aan wie de boeren hun bladeren verkopen, betaalde soms maanden achtereen niet uit. En in de theefabrieken, allen in handen van de regering, leidden verouderde machines tot een inefficiënt productieproces.
    De gevolgen van deze misstanden werden in de jaren negentig zichtbaar. Het aandeel van kleine boeren in de totale theeproductie kelderde van 25 naar 10 procent, en eind jaren negentig zelfs naar 5 procent. Lazáro Mwakajila, de voorzitter van de Rungwe theeboerenassociatie, weet nog precies wat destijds de nagel aan de doodskist van de kleine boeren was. ‘De boeren waren geheel afhankelijk van de regering. Die had alles in handen, zonder iets van de thee-industrie af te weten. De Tea Authority, de fabrieken, het transport, álles was in het bezit van de staat’, verzucht Mwakajila.
    De kleine, charismatische voorzitter, zelf al 45 jaar theeboer, geeft een voorbeeld van wat er zoal mis ging. ‘Na het plukken moeten theebladeren binnen acht uur verwerkt worden in de fabriek. Maar het transport van de velden naar de theefabriek was onbetrouwbaar. De overheid liet de wegen verslechteren en de slechte wegen zorgden voor grote vertraging van de vrachtwagens. Je wist maar nooit of het resultaat van een dag plukken op tijd werd opgehaald. Na meer dan acht uur zijn de theebladeren uitgedroogd en kun je ze wel weggooien.’
    Door dit soort toestanden groeide de ontevredenheid onder de theeboeren, niet alleen in Rungwe, maar ook in andere theegebieden in Tanzania. De regering besloot maatregelen te nemen om de malaise tegen te gaan. De kleine theeboeren werden door een nieuwe overheidsorganisatie gesteund in het opzetten van associaties. J.A. Kiroga, operations manager van deze Smallholder Tea Development Agency, vertelt dat dit door het hele land volgens dezelfde structuur verliep: ‘Elk dorp kiest zijn eigen vertegenwoordigers, daaruit worden weer vertegenwoordigers gekozen voor een district, en uit deze mensen komen de leiders van de associatie voort.’

    Goed leiderschap, aandelen en fair trade
    Hoewel alle theeboerenassociaties volgens dezelfde structuur zijn opgezet, is hun succes wisselend. Kiroga is van mening dat een aantal factoren het welslagen van een associatie bepaalt: goed leiderschap, aandelen in een theefabriek en eerlijke prijzen. ‘Goed leiderschap is onmisbaar. Een sterke voorzitter kan investeerders aantrekken die aandelen in een fabriek financieren. En het is ook de voorzitter die ervoor kan zorgen dat een associatie in aanmerking komt voor verkoop van thee aan fairtrade-organisaties. Zonder een actieve voorzitter gebeurt er niets.’
    De voordelen van aandelen in een theefabriek zijn overduidelijk in het geval van de associatie in Rungwe. Eind jaren negentig werden de staatsfabrieken geprivatiseerd. De RSTGA wist genoeg geld te bemachtigen om 25 procent van de fabriek te kopen. ‘Ons aandeel in de fabriek geeft de boeren een stem’, vertelt voorzitter Mwakajila trots. ‘Terwijl we vroeger afhankelijk waren van de regering, kunnen we nu het heft in eigen handen nemen. We hoeven niet meer op onze betaling te wachten, de fabriek betaalt ons maandelijks uit. We weten precies wat er gaande is op de markt en ontvangen zelfs dividend omdat we aandeelhouders zijn.’
    Tanzania Tea Packers (TATEPA) bezit de overige 75 procent van de theefabriek in Rungwe. In een studie van de universiteit van Dar es Salaam naar armoedebestrijding in Tanzania, wordt TATEPA genoemd als één van de weinige bedrijven die terrein boekt op dit gebied. Directeur Bimb Theobald licht toe dat TATEPA aan directe armoedebestrijding werkt door de boeren een vaste en relatief hoge prijs te betalen voor de theebladeren.
    ‘De boeren worden zo gestimuleerd om meer te oogsten’, vertelt hij. ‘Door tegelijkertijd te investeren in de modernisering van de theefabriek, hebben we de theeproductie in een paar jaar kunnen verzevenvoudigen. Aan indirecte armoedebestrijding werken we door bijvoorbeeld research naar thee en naar mest te financieren’, gaat Theobald verder. ‘Door deze hulp is de kwaliteit van de thee uit Rungwe nu één van de hoogste van heel Tanzania. Logischerwijs wordt voor een hogere kwaliteit thee een betere prijs betaald.
    Het merendeel van de associaties is er nog niet in geslaagd aandelen in een fabriek te verwerven. Volgens Kiroga zijn deze associaties beduidend minder goed af. ‘De coöperatie in Mufindi, een ander groot theegebied in het zuidwesten van Tanzania, verkoopt haar theebladeren aan de omringende grote theeplantages. De boeren ontvangen een lagere kiloprijs dan in Rungwe, en worden verder op geen enkele manier gestimuleerd om meer te produceren. Zolang ze geen eigen fabriek hebben, zal er geen vooruitgang zijn’, meent Kiroga.
    Fair trade is de derde factor die vooruitgang van de associatie, en ontwikkeling van de regio garandeert. ‘De RSTGA is tot op heden de enige theeboerenassociatie in Tanzania die met een fair trade organisatie werkt’, vertelt Kiroga. ‘De theeboeren in Tanzania hebben een laag inkomen. Om scholen te bouwen of gezondheidsprogramma’s op te zetten, zijn extra fondsen nodig. Associaties kunnen of willen dat niet uit eigen zak betalen. Daarvoor bieden fair trade premies uitkomst. De premies worden rechtsreeks in ontwikkelingsprojecten gestopt, en verdwijnen niet in de zakken van de boeren. De hele gemeenschap profiteert zo mee.’
    Maar niet elke associatie komt in aanmerking voor fair trade. De internationaal overkoepelende organisatie Fair trade Labelling Organisation (FLO), waar ook het Nederlandse Max Havelaar onder valt, heeft een aantal criteria opgesteld waar organisaties aan moeten voldoen. Zo moeten boerenassociaties een democratische beslissingsstructuur hebben, mogen ze geen gebruik maken van kinderarbeid en moeten ze een milieuplan opstellen. Daarnaast zijn er bepaalde kwaliteitseisen waar fair trade producten aan moeten voldoen.
    De associatie in Rungwe verkoopt sinds 2002 10 procent van de output van de theefabriek aan Tea Direct, een Engelse fair trade organisatie. Deze organisatie betaalt per kilo thee 40 sterlingcent bovenop de marktprijs. Een bedrag dat indirect wordt betaald door consumenten die de zekerheid willen dat boeren in ontwikkelingslanden niet worden uitgebuit. Ook Max Havelaar werkt in Tanzania volgens hetzelfde principe, maar de Nederlandse fair trade organisatie koopt haar thee niet van boerenassociaties, maar van grotere plantages.
    Een comité van afgevaardigden uit verschillende dorpen in de Rungwe-regio beslist waar de extra inkomsten voor worden gebuikt. Zo zijn er in de afgelopen jaren 21 scholen en 6 watervoorzieningen gebouwd in de regio, is er een aids-voorlichtingprogramma opgezet en wordt er voorzichtig begonnen met het aanleggen van een pensioenfonds en een ziekenfonds. Maar de premies worden ook geïnvesteerd in nieuwe daken voor de bladverzamelpunten, zodat de theebladeren minder snel uitdrogen en een goede kwaliteit behouden. ‘Dat is precies wat andere associaties ook nodig hebben om de hun dorpen te ontwikkelen en armoede te bestrijden. Maar voorlopig zijn ze nog niet zo ver. Het ontbreekt ze aan middelen, goed leiderschap en wilskracht om in de voetsporen te treden van de RSTGA’, vat Kiroga samen.

    Voorbeeldfunctie
    De RSTGA fungeert als voorbeeld voor de andere boerenassociaties. De positie van de kleine boeren in Rungwe is de afgelopen jaren dan ook met grote stappen vooruit gegaan. Hun inkomen is vervijfvoudigd en hun leefomstandigheden verbeteren langzaam maar zeker door de fair trade-projecten. Maar voorzitter Mwakajila vindt dat nog niet genoeg.
    ‘We hebben veel bereikt, maar we willen nog veel meer. Onze thee wordt verkocht onder het TATEPA-merk Chai Bora, het grootste theemerk van Tanzania. Maar, in de nabije toekomst willen we een deel van onze thee verkopen onder een éigen merk: Chai Yako.
    Van de opbrengst van Chai Yako willen we onze leden nog beter helpen. We promoten zonne-energie in afgelegen gebieden waar geen andere energievoorzieningen zijn. We willen een sterke basis leggen voor het net gestarte pensioenfonds, zodat we niet afhankelijk zijn van onze kinderen wanneer we zelf niet meer kunnen werken. Het werk zit er voor de RSTGA nog lang niet op. De associatie is de basis voor onze groei, Chai Yako is de toekomst.’